Onderwijs biedt voor velen een weg naar een beter leven. Ondanks de waarheid daarvan vergeet men soms dat ons onderwijs al eeuwenlang voornamelijk de rijken dient.
Kansenongelijkheid is een steeds vaker gehoord thema in de discussie over de problemen in het Nederlandse onderwijs. Leerlingen zouden zich niet kunnen ontwikkelen naar de capaciteiten die ze hebben. De oorzaken die hier vaak voor worden genoemd zijn verschillende onderliggende problemen, zoals het lerarentekort en het aantal docenten dat tegen een burn-out aan zit. Het probleem ligt echter niet enkel daar: ook leerlingen hebben minder actieve concentratie en leesvaardigheid vergeleken met twintig jaar geleden. Vaak zijn leerlingen niet gemotiveerd voor hun lessen en vragen ze zich af wat het nut is van de stof die zij leren.
Het is belangrijk om te kijken naar het Nederlandse onderwijs, omdat het een essentieel strijdterrein is voor de belangen van de werkende klasse. Het onderwijs heeft namelijk invloed op onze kijk en vorming van de wereld, en op dit moment krijgen leerlingen al vroeg een liberale blik op de wereld voorgeschoteld. Ze worden niet bewust gemaakt van de conflicten die tussen klassen spelen, maar krijgen een plaatje voor waar mensen in harmonie samenleven onder de geweldige gratie van de democratie. En als er iets fout gaat, komt dat door schurken en boeven. Als wij dus willen dat de werkende klasse de macht tot zich neemt en zichzelf bevrijd, zal de arbeidersklasse zich ook bewust moeten worden van die taak. De liberale insteek binnen het onderwijs maakt dit een lastige opdracht. Sterker nog: het onderwijs is structureel opgezet om dit onmogelijk te maken.
Burgerlijk onderwijs
Dat het onderwijs werd ingezet voor de heerschappij van de burgerij, heeft een lange geschiedenis. In de achttiende eeuw, nog voor de invoering van het kinderwetje van Houten, bestond het onderwijs bijvoorbeeld voornamelijk voor de burgerlijke klasse. Dit is vrij letterlijk bedoeld: het was voor vele kinderen uit de werkende klasse simpelweg onmogelijk om naar school te gaan, ondanks dat de Nederlandse staat stelde dat het belangrijk was dat zo veel mogelijk kinderen naar school konden gaan. Om naar school te gaan moest men namelijk schoolgeld betalen. Veel mensen hadden hier het geld niet voor.
Naast het geld hadden veel kinderen ook geen tijd voor school. Zij moesten werken op het land of in de fabriek om hun familie te onderhouden. Dat ging voor veel families voor, maar ook als het geld er wel was, was er geen verplichting voor ouders om hun kinderen naar school te sturen. Hierdoor was het gebruikelijk dat veel kinderen met hun ouders werkten in plaats van dat ze naar school gingen.
Uitbreiding van het Nederlands onderwijs
De negentiende eeuw brengt verandering: de eerste Nederlandse onderwijswetten werden tussen 1801 en 1806 ingevoerd. Deze wetten stelden dat basisonderwijs voor iedereen toegankelijk moest zijn en er werd een scheiding gemaakt tussen kerk en staat. Ondanks de simplistische aard van deze wetten en het gebrek aan een staatsorgaan dat zich bezigde met de kwaliteit of toegankelijkheid van onderwijs, konden meer kinderen hierdoor naar school.
In het eerste opzicht zou je denken dat dit niet in het belang zou zijn van de fabriekseigenaren, gezien er minder kinderhandjes waren om de machines te bedienen. Als we wat dieper kijken naar de structuren die worden ingevoerd en op wat voor manier dat gebeurt, blijkt echter dat ook dit het kapitaal goed uitkwam.
Voorheen werd de benodigde kennis van familielid op familielid doorgegeven. Iemand was bijvoorbeeld een boer, waar allerlei verschillende taken bij van toepassing waren. Je moest het land bemesten en zaaien om dan uiteindelijk te kunnen oogsten. Met de komst van fabrieken werden de taken veel specifieker. Zo was je taak het strak houden van het garen bij een weefmachine, of je moest de machine zelf weten te onderhouden en draaiende te houden. Hoewel er minder taken waren die een arbeider moest doen werden de taken dus wel complexer. Als iemand namelijk een machine wilde repareren moest diegene wel begrijpen hoe die in elkaar zat en wat er kapot aan was. Er kwam dus een steeds grotere vraag naar geschoolde arbeiders.
In het begin was dit toegankelijke onderwijs vooral gericht op basistaken zoals leren lezen en schrijven. Wanneer kinderen twaalf werden moesten ze vaak gewoon gaan werken in de fabriek. Dit was zo omdat in de fabriek veelal geen verder ontwikkelde vaardigheden nodig waren. Het voortgezet onderwijs en het wetenschappelijk onderwijs waren vaak alleen toegankelijk voor rijkere mensen. Naarmate er grotere vraag was naar meer speciale taken, zien we dat het eerder genoemde effect door werd gezet, maar alleen wanneer het economisch noodzakelijk was om zo meer winst te vergaren.
Naast het economische aspect was er ook een politieke reden voor het toegankelijker maken van onderwijs. Veel arbeiders maar ook kleine bedrijfseigenaren leefden in erg slechte omstandigheden. Zij moesten zich kapot werken om rond te komen, wat vaak tot verzet leidde. Zo had je ook meerdere revoluties in de 19e eeuw. Een van de belangrijkste is het revolutiejaar van 1848. In dit jaar vonden er meerdere revoluties over heel Europa plaats. Koning Willem II, de toenmalige vorst van Nederland, was ook bang voor een revolutie in Nederland. Om dit te voorkomen maakte hij concessies. Hierdoor is de Nederlandse grondwet opgesteld, waarin onder andere wordt uitgesproken dat vrij en toegankelijk onderwijs voor iedereen toegankelijk moet zijn. We zien hier dat het onderwijs dus wordt gebruikt om de spanningen tussen verschillende klassen te dempen. Niet alleen door de toegankelijkheid ervan, maar ook in het curriculum zelf.
Vrijheid tegen Vrijheid
In 1917 werd besloten dat de staat zou investeren in verschillende soorten onderwijs onder het mom van ‘vrijheid van onderwijs’, zoals al sinds 1848 in de Grondwet was verankerd. Dit betekende dat meerdere groepen, zoals katholieken en protestanten, hun eigen scholen konden oprichten met subsidie van de overheid. De eisen aan deze scholen waren minimaal: naast het geven van reken- en taalvaardigheden waren ze vrij om onderwijs op hun eigen manier in te richten. Dit werd gesteund door zowel liberalen als religieuze politieke stromingen.
Het is opvallend dat juist in deze periode deze wetgeving werd ingevoerd. Europa was namelijk erg instabiel. De Eerste Wereldoorlog zorgde voor veel frustraties aan beide kanten van het front. Soldaten leefden in afschuwelijke omstandigheden en werden constant blootgesteld aan de absolute verschrikking van de oorlog. Ook zien we meerdere revoluties die ontketend worden, met als bekendste de Oktoberrevolutie in Rusland en de Novemberrevolutie in Duitsland. Vooral de Oktoberrevolutie laat de kapitalistische klasse erg schrikken. Voor het eerst in de geschiedenis weet het proletariaat daadwerkelijk de macht te grijpen en die te houden. Dit zorgt voor grote angst onder de kapitalisten, ze willen alles op alles zetten om ervoor te zorgen dat dit in hun eigen land niet gebeurt. Met het subsidiëren van verschillende soorten onderwijs weten ze de arbeidersklasse te saboteren in naam van ‘vrijheid van onderwijs’. Ze versplinteren de arbeidersklasse door arbeiders naar verschillende scholen te sturen, ondanks dat dit niet direct het kapitaal dient. Hiermee weten ze de organisatiekracht van de arbeidersklasse klein te houden en daarmee dus ook de vrijheid van de arbeidersklasse in de weg te zitten.
Opengooien hoger onderwijs
Eerder gold de leerplicht, ingevoerd in 1874, enkel voor het lager onderwijs. Dat is nu natuurlijk niet meer zo: mensen zijn tot hun 16e leerplichtig en tot hun 18e startkwalificatieplichtig. Deze startkwalificatieplicht geldt voor jongeren onder de 18 die nog geen diploma hebben gehaald op MBO-2 niveau, HAVO of VWO. Deze leeftijdsplichten kwamen tot stand met de leerplichtwet van 1969 en een amendement in 2007. De redenen hiervoor hebben weer te maken met de taken waar bedrijfseigenaren om vragen.
Destijds werd het kapitaal steeds complexer, onder andere door nieuwe technologie en de vergrote noodzaak om mondiale arbeid en transport te controleren. Daarom werd het voortgezet onderwijs en later ook het hoger onderwijs steeds toegankelijker voor arbeiders gemaakt. De banen waar minder complexiteit bij van toepassing was werden geëxporteerd naar het mondiale zuiden, omdat daar meer toegang was tot goedkope arbeid van mensen die minder scholing genoten.
De gevolgen van ‘vrijheid van onderwijs’
In het hedendaagse onderwijs zien we hoe de gevolgen van de ‘vrijheid van onderwijs’ desastreus uitpakken voor de werkende klasse. De meeste leerlingen in het reguliere onderwijs zitten in overvolle klassen. Hier is het voor docenten vaak extra moeilijk om een compleet overzicht te hebben in de klas. Zij kunnen niet iedere leerling de aandacht geven die ze wel nodig hebben. Daarnaast zijn docenten onderbetaald en overbelast waardoor het lerarentekort nog intenser wordt. Leerlingen kunnen zich dus in zulke omstandigheden niet goed ontwikkelen. In het particulier onderwijs, waar ouders bakken met geld betalen, zit dat anders. Er zijn daar scholen met klassen die bestaan uit niet meer dan zes leerlingen. Om op zo’n school terecht te komen moet je vaak belachelijk veel geld betalen: soms zelfs 16.000 euro per jaar. Wanneer jij dus al moeite hebt om rond te komen omdat je van een mager loon leeft, kun je jouw kind nooit naar zo’n school sturen.
Kinderen die ouders hebben met meer geld of vrije tijd kunnen ook meer ondersteuning bieden. Als ouders minder hoeven te werken om rond te komen, kunnen ze hun kinderen makkelijker helpen met het maken van huiswerk. Ook wanneer ouders die tijd niet hebben, kunnen ze met meer geld wel betalen voor huiswerkbegeleiding. Dit is voor diegenen die dat geld niet hebben geen oplossing, waardoor je ook een scheve ontwikkeling op basis van vermogen ziet.
Onderwijs van en voor de kapitalist
Onderwijs is al sinds het moderne tijdperk een structuur om de kapitalist toegang te geven tot geschoolde arbeiders die ze steeds meer nodig hebben. Dit is nu nog steeds het geval. Hoewel scholen ook een plek bieden om de werkende klasse te scholen over hun belangen wordt daadwerkelijk organiseren moeilijk gemaakt door het splitsen van het onderwijs. Het is dus belangrijk om in te zien dat ons huidige onderwijs niet een middel is voor de werkende klasse om zichzelf te ontwikkelen, maar een middel van de kapitalistische klasse om toegang te krijgen tot hoger geschoolde arbeid en om de organisatiekracht van de werkende klasse te saboteren. Helaas voor de kapitalist heeft het soms het bijeffect dat leerlingen zich ontwikkelen tot kritische mensen, die niet alleen het falen van een machine begrijpen, maar ook het falen van het systeem.