Het patriarchaat lijkt van alle tijden. Desondanks zweren socialisten bij hoog en laag dat zelfs dit onderdrukkende systeem met het socialisme verslagen kan worden.
In een hut denkt iemand anders dan wanneer diegene in een paleis woont. Voor de een is de tram een luxe, voor de ander is het beneden hun stand. Het zijn dit soort basale voorbeelden die verschillende marxistische denkers aanhalen om uit te leggen dat de omgeving waarin iemand woont en werkt bepalend is voor de denkbeelden die hen heeft en kan hebben. Ook de maatschappelijke denkbeelden over vrouwen en hun onderdrukking vinden hun oorsprong in de omstandigheden waarin we leven. Dat betekent dat een verandering van deze omstandigheden leidt tot een verandering van de manier waarop vrouwen onderdrukt worden. Daaruit vloeit de volgende vraag: kunnen we omstandigheden creëren die leiden tot een einde aan de structurele onderdrukking van vrouwen?
De basis
Een van de centrale concepten binnen marxistische theorie is het onderscheid tussen de economische basis en de superstructuur. Binnen een maatschappij bestaat de economische basis uit de productiemiddelen en de relaties die men heeft tot deze productiemiddelen. De superstructuur is een breed begrip dat praktisch alle ideeën en instituties, die niet direct met het productieproces te maken hebben, omvat. Denk hierbij aan onderwijs, politiek, cultuur, religie en ideologie.
De economische basis en de superstructuur beïnvloeden elkaar wederzijds. De superstructuur bestaat namelijk in de eerste plaats om de basis te rechtvaardigen en vloeit daarom voort uit de basis. De ideeën die zich daaruit ontwikkelen hebben op hun beurt weer effect op de basis. Bedenk bijvoorbeeld hoe Nederlanders het hebben van een huis vaak als een algemeen levensdoel zien. Dit drijft de prijs op van huizen en legitimeert fiscale regelingen zoals de hypotheekrenteaftrek. De maatschappelijke genderrollen zijn eveneens onderdeel van de superstructuur en vloeien voort uit de verhoudingen tot de productiemiddelen, alhoewel dat niet gelijk duidelijk is wanneer men enkel focust op het werk voor een loon.
Reproductieve arbeid
Het werk waarbij mensen hun arbeidskracht verkopen, daar een loon voor ontvangen en de kapitalist meerwaarde afneemt, heet productieve arbeid. Aan de andere kant daarvan staat de zogenaamde reproductieve arbeid. Dit is de arbeid die nodig is zodat de werker de volgende dag, uitgerust en wel, weer dezelfde hoeveelheid werk kan leveren als de dag ervoor. Voorbeelden van reproductieve arbeid zijn wassen, koken en het dragen, baren, opvoeden en scholen van kinderen. Zodra een arbeider doodgaat of te oud wordt om de benodigde arbeid te verrichten, is er voor de kapitalist immers een nieuwe arbeider nodig om diens plek te vullen.
Wat de reproductieve arbeid daarnaast kenmerkt, is dat het zich veelal buiten de zichtbare economische sfeer bevindt; de arbeider ontvangt er geen loon voor. De kapitalist heeft de arbeid echter wel nodig. Zonder reproductie van de arbeidskracht verschijnt de werker niet meer op het werk. De prijs van productieve arbeid wordt daarom gemiddeld bepaald door de hoeveelheid arbeid die nodig is om de arbeid te reproduceren. Factoren als concurrentie en vraag en aanbod zorgen voor prijsschommelingen, maar in de basis ligt de waarde van arbeidskracht besloten in de kosten van de reproductie van deze arbeidskracht.
Het patriarchaat
Gedurende het grootste gedeelte van de geschiedenis werd de productieve arbeid door zowel mannen en vrouwen uitgevoerd. Tijdens de zwangerschap en daarna kunnen mensen met een baarmoeder echter minder zwaar werk uitvoeren. Daarom kregen mannen vaker de verantwoordelijkheid om de bestaansmiddelen zoals eten en onderdak te regelen en werden vrouwen vaker belast met de meer reproductieve taken zoals koken, wassen en het opvoeden van kinderen. Ten eerste omdat een gedeelte van de reproductieve arbeid, zoals het dragen van kinderen, enkel gedaan kon worden door mensen met een baarmoeder en ten tweede omdat de reproductieve arbeid vaak minder zwaar is dan de productieve arbeid.
Omdat de superstructuur de verhoudingen tot de productiemiddelen via culturele en institutionele wegen rechtvaardigt, ontwikkelen daardoor denkbeelden die de arbeidsverdeling tussen man en vrouw versterken. Daardoor ontstaan bijvoorbeeld stereotypen over mannen en vrouwen die bepaalde kenmerken aan de geslachten toeschrijven. Daarmee ontstaan genderrollen. Denk aan het idee van vrouwelijke zorgzaamheid en het idee van mannelijke emotionele afstandelijkheid. Deze ideeën, die de toeschrijving van reproductieve arbeid aan de vrouw en de productieve arbeid aan de man rechtvaardigten, noemen we samen met gerelateerde vormen van onderdrukking zoals het huwelijk het patriarchaat.
Het patriarchaat is gedurende de geschiedenis veel veranderd. De vorm van het patriarchaat die we vandaag de dag kennen is hoofdzakelijk gebaseerd op het kerngezin: een gezin van twee ouders en een aantal kinderen. De ‘ouderwetse’ normen, waarbij de man een salaris verdient voor het hele gezin en de vrouw afhankelijk is van de man, zijn daarbij in werkelijkheid een relatief jonge ontwikkeling. Ze kennen namelijk hun oorsprong in het fordisme van de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw, waarbij de arbeider mede door vakbonddstrijd een hoog genoeg loon kreeg om ook vrouw en kinderen te onderhouden, zo stelt Nancy Fraser in Feminism, Capitalism and the Cunning of History. Tijdens de industriële revolutie in de negentiende eeuw werkten vrouwen en kinderen in arbeidersgezinnen ook, bijvoorbeeld in fabrieken en mijnen.
Vandaag
Gedurende de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw zorgden een aantal ontwikkelingen voor de verplaatsing van veel huishoudelijke taken terug naar de markt. Dat kwam in de eerste plaats doordat het zowel nodig als mogelijk werd voor vrouwen om meer buitenshuis te gaan werken. Globalisering had namelijk in de Westerse landen zoals Nederland voor een grote werkloosheid gezorgd in beroepen die daarvoor door mannen werden uitgevoerd, en de lonen gingen gemiddeld genomen omlaag doordat er grotere concurrentie was met arbeiders in het buitenland. Technologische ontwikkelingen zoals de wasmachine zorgden er tegelijkertijd voor dat de lasten van de huishoudelijke arbeid omlaag gingen, waardoor vrouwen, die nog steeds het gros van de reproductieve arbeid uitvoerden, meer arbeidskracht overhielden en steeds meer ingezet konden worden als flexibele werkers.
Onder het neoliberalisme krijgen overheden en instanties een actieve rol in het introduceren van marktwerkingsmechanismen op plekken waar deze voorheen niet aanwezig waren. Door interventies in de economie werden meer huishoudelijke taken naar de zichtbare economische sfeer verplaatst en werd verdere arbeidsdeling mogelijk. Dit proces, waarbij iets dat voorheen niet voor geld verhandeld wordt een marktwaarde krijgt, heet commodificatie. Door commodificatie ontstonden nieuwe banen die vrouwen, door de druk van het patriarchaat, vaak opnamen. Denk bijvoorbeeld aan banen in de (ouderen)zorg, in het onderwijs en in de kinderopvoeding.
Veranderingen in de economische basis zorgden vervolgens ook voor verschuivingen in de superstructuur. Daardoor wordt het in de meeste kringen als ouderwets gezien als een vrouw afhankelijk is van hun man. Vrouwen werken wel meer dan voorheen, maar zij doen vaak naast hun voltijdbaan ook nog het gros van het huishoudelijk werk. In Nederland werken volgens het CBS zestig tot zeventig procent van de vrouwen deeltijds, in de meeste landen is dat niet zo en werken vrouwen vaker voltijds. Deze verwachting dat een moeder zowel loonarbeid als het huishoudelijk werk doet, wordt ook wel de double burden of de second shift genoemd; de tweede dienst na de eerste. Vooral in arme gezinnen wordt deze tweede dienst gewerkt door de moeder. Rijkere gezinnen kunnen bijvoorbeeld een schoonmaker inhuren en meer gebruik maken van bezorgdiensten.
Tegenwerkende krachten
Naast de processen die tot commodificatie leiden, zijn er ook processen die dat tegenwerken. Deze processen zijn zo sterk, dat ze de commodificatie dusdanig tegenzitten dat onder het kapitalisme de reproductieve arbeid heel erg langzaam of zelfs niet gecommodificeerd kan worden. Daardoor zal de economische basis, die het patriarchaat tot stand brengt, niet afgeschaft worden. Het patriarchaat kan daarom niet afgeschaft worden onder het kapitalisme.
De kapitalist probeert de arbeider minder te betalen dan dat hen nodig heeft om te overleven. Het eerste wat de kapitalist daarbij goed uitkomt, is een overschot aan arbeidskracht, bijvoorbeeld door immigratie of verhoging van efficiëntie. Arbeidskracht is namelijk een waar als alle anderen; als het aanbod te hoog is, daalt de prijs en ontvangen arbeiders gemiddeld minder voor hun werk. Doordat arbeiders daardoor niet allemaal hetzelfde loon voor hun arbeid ontvangen en veel arbeiders niet genoeg krijgen om gebruik te maken van bijvoorbeeld kinderdagverblijven of buitenschoolse opvang, doen zij nog veel reproductieve arbeid thuis.
Bij verdere commodificatie van reproductieve arbeid zou de kapitalist nog steeds de lonen onder de reproductiekosten willen drukken. Arme gezinnen zouden nog steeds niet genoeg geld hebben om voor alle diensten te betalen. De enige manier waarop reproductieve arbeid volledig gecommodificeerd kan worden, is door het ofwel vanuit de staat te voorzien en uit belasting te betalen, ofwel door elke arbeider een baan met voldoende loon te geven voor alle gecommodificeerde taken. Dat zou echter betekenen dat de kapitalist arbeiders niet langer minder kan betalen dan wat zij nodig hebben om hun arbeid te reproduceren, en dat zou de winst van de kapitalist verlagen.
Een mogelijk tegenargument is dat de arbeider simpelweg meer kan gaan werken om voor de benodigde diensten en waren te betalen. Dit argument vergeet echter belangrijke feiten: dat de arbeider niet zomaar meer kan werken als het hen uitkomt en dat de arbeider het reproductieve werk vaak verwelkomt als afwisseling of verbetering ten opzichte van de ‘normale’ productieve arbeid. Iemand met een veertig-uren contract kan immers niet zomaar meer gaan werken en ook al zou diegene dat wel doen, zijn die extra uren vaak belastender dan de tijd besteden aan bijvoorbeeld koken of wassen.
De bestaande superstructuur duwt daarnaast terug wanneer er een culturele verandering lijkt te ontstaan. Dat geldt zowel voor vastgeroeste instituties zoals de staat, die met wetten bijvoorbeeld de familie verankeren, als voor de arbeiders zelf. Zij hechten ook waarde aan de culturele normen van reproductieve arbeid. Dat geldt zelfs voor klassenbewuste arbeiders: zij kunnen makkelijk afstand doen van de norm dat een gezin één enkele broodwinner heeft, maar ook zij zouden moeite hebben met een volledige commodificatie van reproductie. Dan zou je bijvoorbeeld ook niet meer je eigen kind opvoeden.
De flexibiliteit van reproductieve arbeid zorgt ook voor een laatste obstakel. Wassen en koken is zo goed als volledig te commodificeren, maar dat geldt niet voor veel andere arbeid zoals bijvoorbeeld het troosten van het eigen kind of na een lange werkdag een luisterend oor bieden aan de partner. Dergelijke taken kunnen slechts gedeeltelijk gecommodificeerd worden: ook al gaan arbeiders vaker naar betaalde psychologen, is de psycholoog niet altijd beschikbaar en berusten mensen nog steeds voor een groot gedeelte op het huishouden. Zelfs diensten die op dit moment al gecommodificeerd zijn, hebben vaak overgebleven taken die niet goed te commodificeren zijn. Als een gezin een schoonmaker inhuurt moet er ook weleens zelf schoongemaakt worden en als een gezin gebruikmaakt van een wasserette moet iemand ook de was bij elkaar rapen en het naar de wasserette brengen.
Het socialisme
Het bovengenoemde proces van de gedeeltelijke commodificatie van reproductieve arbeid zorgt ervoor dat de economische ondersteuning van het patriarchaat, de opdeling van de samenleving in het kerngezin met een interne arbeidsdeling, niet volledig verandert. De superstructuur blijft onveranderd. Is het mogelijk de economische basis onder het socialisme te veranderen?
Het antwoord is eenduidig: ja. Waar volledige commodificatie van de reproductieve arbeid tegen de belangen van de kapitalist ingaat en de kapitalist het kerngezin dus ondersteunt, is het in het socialisme mogelijk om de meeste reproductieve arbeid te socialiseren, vooral als het huishoudelijk werk betreft. Daarnaast garandeert een socialistische maatschappij reproductieve rechten rondom anticonceptie en abortus, en zorgt het voor genoeg rust en ondersteunding tijdens de zwangerschap en opvoeden van kinderen.
Omdat in het socialisme elke arbeider uiteindelijk betaald krijgt naar de hoeveelheid arbeid die diegene verricht en iedereen die kan werken bij moet dragen, worden arbeiders niet minder betaald dan hoeveel uren ze werkelijk aan werk verrichten. De arbeider krijgt voor elk uur aan arbeid evenveel goederen of diensten terug die in een uur gemaakt kunnen worden. Hetgeen wat ervan afgetrokken wordt, waaronder de arbeid die nodig is voor zorg aan mensen die niet kunnen werken en het algemene goed, is voor iedereen gelijk. Daardoor wordt het plots logisch om reproductieve arbeid buiten het huis te plaatsen, waar het efficiënter uitgevoerd kan worden. In het socialisme zou dit betekenen dat de hoeveelheid goederen die arbeiders terugkrijgen voor hun arbeid verhoogt wordt. In een enkel uur aan arbeid kan er dan namelijk meer gemaakt worden dan voorheen.
Met de verplaatsing van reproductieve arbeid naar buiten het huis, wordt de functie van het kerngezin steeds minder duidelijk. De arbeiders zullen namelijk steeds vaker buiten het huis gaan eten, buiten het huis wassen en uiteindelijk zullen zelfs kinderen steeds meer gemeenschappelijk opgevoed worden. Daardoor wordt het steeds minder logisch voor mensen om reproductieve arbeid voor het gezin uit te voeren, omdat het buitenshuis simpelweg efficiënter wordt en ze zo meer tijd kunnen besteden aan vermaak. Daarmee valt de druk om relaties te vormen en reproductieve arbeid binnen het gezin uit te voeren weg. De relaties die mensen dan aan zullen gaan, zullen slechts gebaseerd zijn op hun wensen, in plaats van op de door de samenleving opgelegde vorm van het kerngezin.
Arbeiders willen echter niet van de ene op de andere dag alle reproductieve arbeid naar buiten het huis verplaatsen. Ze hechten zelf namelijk ook waarde aan het gezin en de normen en waarden die daarbij komen kijken. De verplaatsing van de reproductieve arbeid naar buiten het huis zal daarom stapsgewijs moeten verlopen. Wanneer de reproductieve arbeid echter dusdanig naar de gemeenschap is verplaatst, zal het kerngezin ook ophouden met bestaan, waarmee de economische basis voor het patriarchaat wegvalt en de werkelijke bevrijding van de vrouw een feit kan worden.