De perverse prikkels van onderwijsbekostiging

Illustratie: Ava Jongerden

Dat het slecht gaat met het hoger onderwijs, is bij iedereen bekend. Het zijn helaas echter niet enkel de bezuinigingen die voor problemen zorgen. De manier waarop het geld verdeeld wordt zorgt ook voor grote problemen.

Universiteiten en hogescholen zijn big business. Jaarlijks worden er miljarden besteed aan snoepreisjes, lunches voor symposia, en natuurlijk onderzoek en onderwijs. Een deel daarvan is afkomstig uit dubieuze portefeuilles, zoals die van de oorlogs- en fossiele industrieën. Een ander deel van die vele miljarden bestaat uit het wettelijk collegegeld, de duizenden euro’s die studenten zelf jaarlijks moeten ophoesten. Het leeuwendeel van de financiering van het hoger onderwijs bestaat in Nederland echter uit de zogeheten lumpsumbekostiging van de overheid. Dit herverdeelde belastinggeld vertegenwoordigt bij elkaar opgeteld ruim 11 miljard euro op de begrotingen van Nederlandse universiteiten en hogescholen. Hoe wordt dit verdeeld, en wat is het effect daarvan?

Wie krijgt wat

De verdeling van het geld dat de Nederlandse overheid opzij zet voor het hoger onderwijs is een bureaucratische nachtmerrie die zonder schaamte toont hoe weinig waarde de staat hecht aan het hoger onderwijs. Het begint al met het bepalen van de grootte van de pot, die elk jaar door de overheid wordt vastgesteld in de begroting. Alhoewel deze volgens het Rathenau Instituut jaarlijks vaak groter dan kleiner wordt, vermeldt de Universiteit van Nederland dat de bijdrage per student elk jaar kleiner wordt. Door de frontale aanval die Kabinet-Schoof I op de grote pot heeft geopend, zal de bijdrage per student alleen maar kleiner worden. Een half miljard moet namelijk worden overgeheveld van de hogescholen en universiteiten naar het ministerie van Oorlog. 

Nadat is vastgesteld hoe groot de pot is, wordt bepaald hoe hij wordt verdeeld over de hogeronderwijsinstellingen. In principe is er per student een bepaald bedrag beschikbaar. Dit bedrag is hoog genoeg om studenten vier jaar lang te kunnen laten opleiden. Een fractie van dit bedrag wordt uitgekeerd aan de onderwijsinstelling op het moment dat de student daar met een opleiding begint, de rest van dit bedrag wordt uitgekeerd op het moment dat de student een diploma ontvangt. Het bedrag per student verschilt van studie tot studie. Studenten die bijvoorbeeld een natuurwetenschappelijke opleiding volgen, krijgen een grotere zak geld mee dan sociale wetenschappers en letterenstudenten. Aan de ene kant is dit omdat het onderhouden van natuurwetenschappelijke opleidingen simpelweg duurder is. Bedenk bijvoorbeeld hoeveel meer laboratoria en apparatuur natuur- en scheikundigen nodig hebben dan historici. Aan de andere kant leveren studenten met een natuurwetenschappelijk diploma later een grotere bijdrage aan de staatsbegroting. Zij betalen vaak meer belasting en leveren daardoor een groter aandeel van het bruto binnenlands product. 

Daarnaast krijgen de Nederlandse universiteiten die al heel lang bestaan, zoals de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Leiden, bij wet vastgestelde bedragen van de staat. Zij zijn dus veel rijker dan andere universiteiten. Om hun bekostiging toch naar een werkbaar peil te trekken, worden nieuwere universiteiten als de TU Eindhoven gedwongen steeds nauwere samenwerkingen met het bedrijfsleven (lees: de oorlogsindustrie) aan te gaan.

Iedere student ondervindt aan den lijve welke perverse prikkels deze vorm van financiering oplevert. Universiteiten en hogescholen worden welhaast gedwongen om zo veel mogelijk studenten aan te trekken, met name tot de opleidingen die meer geld opleveren, en om al die studenten zo snel mogelijk te laten afstuderen. Het verschil in kosten tussen 150 en 200 scheikundestudenten maakt voor de kosten die de universiteit maakt immers niet zoveel uit, maar betekent wel veel meer inkomsten. Als gevolg van het werven van zoveel mogelijk bètastudenten geraken alfa-opleidingen in het verdomhoekje. Aan menig hogeschool of universiteit zijn de faciliteiten voor technische en natuurwetenschappelijke opleidingen zienderogen duurder en nieuwer dan die van andere faciliteiten. En wanneer er een tekort is op de begroting, zijn het de alfa-opleidingen die het eerst verdwijnen, zoals bijvoorbeeld de talenstudies die op vele universiteiten gepland zijn voor verwijdering. 

Om te waarborgen dat alle studenten zo snel mogelijk afstuderen, worden constructies als het bindend studieadvies (BSA) in het leven geroepen. Studenten die in hun eerste jaar minder dan een bepaald aantal studiepunten halen, mogen ophoepelen. Het idee is dat alleen de studenten die de opleiding sowieso binnen de vastgestelde tijdlijn kunnen afronden daar de kans toe krijgen. Voor persoonlijke omstandigheden van studenten is maar zelden oog. De universiteiten hebben immers het oog op de bal: een zo groot mogelijk aandeel van de taart.

Trammelant in onderwijsland

Hogeronderwijsinstellingen én de overheid zijn echter niet blij met dit systeem. Omdat nu al zo goed als zeker is dat de hoeveelheid studenten in het hoger onderwijs de komende jaren zal krimpen, bereiden de universiteiten en hogescholen zich voor op steeds ingrijpendere bezuinigingen. Zolang de financiering van de instellingen afhankelijk blijft van de studentenaantallen, zullen met name universiteiten de krimpende studentenaantallen proberen te compenseren met het werven van meer en meer studenten uit het buitenland. Om te voorkomen dat de overheid dit aan banden legt, leggen de koepelorganisaties Universiteiten van Nederland (UNL) en de Vereniging Hogescholen (VN) zichzelf al maatregelen op.

Studenten en arbeiders het haasje

Daarom kijken ambtenaren steeds meer naar een nieuw stelsel. Ze lijken de voorkeur te geven aan een systeem waarbij centraal wordt vastgesteld hoeveel plekken er voor welke opleiding in welke stad zijn. Een voorzet hierop wordt al genomen door een aantal universiteiten dat studies onderverdeelt. Zo worden de universitaire bachelors Duits en Frans ‘landelijk’; het wordt niet meer mogelijk die opleidingen aan één universiteit te volgen. Voor sommige vakken zullen studenten zich bij de Radboud Universiteit moeten vervoegen, voor andere vakken zullen zij naar de Universiteit Leiden moeten afreizen. Hoe studenten die niet kunnen teleporteren dat klaar moeten spelen, blijft nog maar de vraag.

Met deze stelselverandering zouden de hogeronderwijsinstellingen Ă©n de overheid het voortbestaan van universiteiten in krimpregio’s als Groningen kunnen waarborgen en zich voor langere periodes van bekostiging kunnen verzekeren. Deze stelselverandering zou natuurlijk ook betekenen dat er opleidingen verdwijnen. Dit is niet alleen voor studenten aan die opleidingen een probleem, maar nog meer voor al het personeel van die opleidingen. Zij worden gedwongen te verhuizen (succes met het vinden van een woning!) of raken hun baan kwijt. 

Daarenboven werpt elke kwestie van centrale planning het machtsvraagstuk op: wie gaat er dan bepalen waar die opleidingen komen en wie bepaalt hoeveel geld er Ă¼berhaupt voor het hoger onderwijs beschikbaar is? De dag dat dat aan de raden van studenten en arbeiders is, lijkt nog ver weg. In plaats van democratische controle over de besteding van belastinggeld zullen de keuzes bij de technocraten in de Haagse achterkamertjes komen te liggen. Misschien met wat inspraak van UNL en VH voor de vorm. Maar zelfs dan vertegenwoordigen zij alleen de bestuurders van de universiteiten en hogescholen.

Voor nu wordt deze stelselverandering tegengehouden door de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), die de relatieve onafhankelijkheid van onderwijsinstellingen waarborgt. Het liefst voeren de Haagse bureaucraten deze wet dan ook aan de versnipperaar, maar vooralsnog lijkt daar geen sprake van. Bovendien zou de stelselverandering verschrikkelijk duur worden EN ook hierover kunnen de bureaucraten en de hogeronderwijsinstellingen het niet eens worden.

Leuk artikel? Meld je aan voor de Paraat nieuwsbrief!