‘Een stagiair heeft geen recht op het wettelijk minimumloon’, aldus de website van de Rijksoverheid. Waarom? Omdat bij een stage het leren centraal zou staan en een stagiair geen gewone werknemer mag vervangen. Daarom is het niet verplicht om een stagiair te betalen voor hun werk.
Toch is voor veel studenten de werkelijkheid dat ze volledig meedraaien op de werkvloer. Ze werken mee in de productie, in de administratie, in het onderwijs of de zorg. Vaak met verantwoordelijkheden die weinig verschillen van die van betaalde collega’s, alleen dan zonder loon. Omdat het wettelijk niet verplicht is om een stagiair te vergoeden, mag de werkgever zelf bepalen om een bedrag als het ware te ‘schenken’ aan de stagiair. In de praktijk zijn stagiairs dus volledig overgeleverd aan de willekeur van het bedrijf.
En dat gebeurt niet zelden in sectoren die kampen met personeelstekorten. In de zorg worden stagiairs structureel ingezet om werkroosters rond te krijgen. In het onderwijs staan ze soms zelfstandig voor de klas. In de communicatie en marketing draaien ze zelfs volledige campagnes. Allemaal met weinig tot geen financiële vergoeding.
Uit cijfers van het ministerie van Onderwijs, verzameld onder leiding van voormalig minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Robbert Dijkgraaf, blijkt dat een groot gedeelte van de studenten geen enkele vergoeding ontvangt. Dit geldt voor 35% van de studenten in het wo, 25% in het hbo en maar liefst 59% van de mbo-studenten. In sommige sectoren, zoals het onderwijs, ligt dat percentage nog hoger: 77% van de hbo-studenten krijgt daar niets. Dat betekent vijf dagen per week werk verrichten, voor niets.
Voor veel studenten is dat nauwelijks te combineren met een bijbaan. Dat terwijl die bijbaan vaak geen keuze is maar noodzaak. De huur en boodschappen worden immers niet betaald met ‘leerervaring’ en wie geen financiële steun van thuis kan krijgen moet werken om rond te komen. Dat gaat ten koste van hun studie, met als gevolg studievertraging, uitval of een chronisch gebrek aan rust. Kinderen met praktisch opgeleide ouders vallen mede daardoor aantoonbaar vaker uit in het hoger onderwijs. Volgens het CBS ligt de uitval onder hbo-studenten van praktisch opgeleide ouders namelijk tot 33% hoger dan bij studenten van hoogopgeleide ouders.
Tegenstanders van stagevergoeding zeggen weleens dat een stage draait om leren, niet om werken. Maar die tegenstelling is kunstmatig. Leren en werken sluiten elkaar niet uit. Je leert vaak juist door arbeid. Zoals het Communistisch Manifest stelt is verbinding van de opvoeding met materiële productie essentieel omdat leren juist plaatsvindt in en door het echte werk.
Die arbeid moet echter ook beloond worden. Het feit dat iets een leerervaring is, betekent niet dat het economisch waardeloos is. Als een student zelfstandig dossiers bijwerkt, lessen voorbereidt of cliënten begeleidt, dan levert de stagiair met hun werk waarde op voor het bedrijf of voor de instelling. Geen vergoeding geven is dan ook geen educatief principe, maar simpelweg nog sterkere uitbuiting dan loonarbeid.
Vakbond FNV Young & United waarschuwt al jaren voor de structurele uitbuiting van studenten tijdens stages. Zij zien hoe jongeren zonder rechtspositie of inkomen wekenlang arbeid verrichten. De bond eist daarom een wettelijk recht op stagevergoeding, niet als gunst, maar als recht.
De Landelijke Studentenvakbond (LSVb) deelt die analyse. In hun visie op stages stellen ze dat tegenover het werk dat stagiairs verrichten een passende vergoeding moet staan. Niet als extraatje, maar als onderdeel van eerlijke arbeidsvoorwaarden. Ze beschrijven gevallen waarin studenten meer dan veertig uur per week draaien, de taken uitvoeren van reguliere medewerkers en geen tijd hebben om hun stageopdracht af te ronden, maar geen cent zien voor hun werk.
Ook onderstrepen zij de sociale gevolgen van het ontbreken van een leefbare stagevergoeding. Studenten zonder financiële steun raken in de schulden of moeten hun opleiding tijdelijk stopzetten. Het toont maar aan dat wie geen geld heeft, gewoon wordt buitengesloten van onderwijs.
De LSVb stelt dat de overheid een actieve rol moet spelen: door een minimumvergoeding wettelijk vast te leggen, eisen te stellen aan stageovereenkomsten, en meldpunten te openen voor misbruik. Maar zolang de staat zelf handelt in dienst van het kapitaal, kunnen studenten daar weinig bescherming van verwachten. Werkelijke verandering komt niet van bovenaf, maar door collectieve strijd.
Een veelgehoord tegenargument is dat verplichte vergoedingen kleinere organisaties zouden ontmoedigen om stagiairs aan te nemen. Het zou dan echter niet de student moeten zijn die moet opdraaien voor die kosten. Als een organisatie echt geen vergoeding kan bieden, moet de vraag gesteld worden of zij überhaupt geschikt is als leerplek.
Dat het anders kan, blijkt uit voorbeelden in andere Europese landen. In Duitsland hebben stagiairs wel recht op het wettelijk minimumloon, zolang het gaat om vrijwillige stages van meer dan drie maanden. In Frankrijk bestaat bovendien een vast wettelijk minimum, waardoor studenten altijd een basisvergoeding ontvangen van zo’n € 600 per maand. Ondanks dat dit nog steeds geen leefbare voorwaarden zijn, zijn zulke regels in Nederland nog ver te zoeken.
Ook al zouden deze regels er zijn, blijft stage onderdeel van de opleiding voor een economisch systeem dat mensen reduceert tot geoliede onderdelen zonder toekomstperspectief. In feite begint dat al voordat je afgestudeerd bent. De logica is duidelijk: je moet leren functioneren binnen een economie die draait op flexibiliteit, gehoorzaamheid en uitwisselbaarheid.
Dit is geen incident, maar een gevolg van een bredere neoliberale logica. Onderwijs wordt steeds meer behandeld als voorbereiding op een flexibele, onzekere arbeidsmarkt. Jongeren leren niet alleen een vak, ze leren ook gehoorzamen en meebewegen in de dominante werkcultuur van het kapitalisme. Ook radicalere elementen binnen de vakbeweging hebben dit door. Zoals FNV Young & United stelt: ‘52% van de stagiaires geeft aan als (goedkope) werknemer te worden ingezet.’ Ze wijzen erop dat jongeren zo worden klaargestoomd om later óók genoegen te nemen met onzekere contracten, lage lonen en werkdruk zonder zeggenschap. De stage is dus geen uitzondering, maar een voorproefje van het kapitalisme zelf.
Loon naar werken is geen gunst, het is een recht. Maar rechten worden niet gegeven, ze worden afgedwongen. Daarom moeten studenten zich organiseren. Niet alleen om op hun eigen stageplek iets te verbeteren, maar om het hele systeem te veranderen. Lid worden van een organisatie zoals ROOD of de Revolutionair Socialistische Partij is niet zomaar een symbolisch gebaar, het is een cruciale stap richting collectieve kracht. En binnen vakbonden moeten radicale stemmen luid en zichtbaar zijn, want zolang die ontbreken, blijven compromissen de norm. Alleen door ons te organiseren kunnen we een einde maken aan stage-uitbuiting en vechten voor een echt rechtvaardige samenleving.