De neutraliteit van de ‘AI-revolutie’

Wanneer media, politici of bedrijven het hebben over de opmars van kunstmatige intelligentie (AI), lijkt het bijna alsof we op het kantelpunt van een heel nieuw tijdperk staan. Er wordt vaak gesproken over nieuwe doorbraken in AI-technologie, alsof er een plotselinge omwenteling aankomt die de fundamenten van onze maatschappij zal doen beven. Het lijkt op die manier alsof AI zelf een kracht is die de samenleving verandert. Deze interpretatie is echter onjuist. Wat men een soort AI-revolutie noemt, is niet het gevolg van neutrale technologische vooruitgang, maar van de manier waarop deze wordt ingezet en ontwikkeld. 

AI wordt door velen gezien als iets mysterieus, en dat is niet gek. Het is een verschijnsel dat lijkt op een zwarte doos: wij stoppen er wat in, en op een manier die voor velen van ons te complex is, rolt er een antwoord uit. Hele teksten, tekeningen of filmpjes worden uit het niets geschapen. Althans, zo lijkt het. Tegelijkertijd moeten we ons eraan aanpassen, zo merken we overal: van leraren die hun studenten anders behandelen wegens vermoedens van AI-gebruik tot programmeurs die het integreren in hun werk. We kunnen er niet meer omheen.

Of men nu begrijpt hoe ChatGPT op zijn woorden komt of niet: de gevolgen die van AI zullen komen, blijven onbekend. Techbedrijven stampen op het ‘wonderbaarlijke karakter’ van AI, overheden zien het als een kans om kosten te drukken, bijvoorbeeld om te hakken in het personeelsbestand. Beide praten over AI alsof het een zelfstandige agent is, alsof het zijn eigen keuzes maakt, alsof het neutraal is. 

In tegenstelling tot wat vaak gezegd wordt, is technologie nooit ‘neutraal’. Alles is politiek geladen. Elke grote uitvinding, van stoommachine tot internet, is voortgekomen uit een specifieke sociale en economische toestand, en heeft zich verder ontwikkeld binnen de logica van dat systeem. Transport is een passend voorbeeld: de uitvinding van de auto zelf was niet zo slecht, maar voor koetsiers was het einde van hun carrière. 

Het wordt dus duidelijk dat AI niet losstaat van de samenleving waarin zij zich ontwikkelt. Het is geen neutrale kracht die ons vooruit stuwt, maar een technologie die intentie, toepassing en betekenis krijgt vanuit de samenleving die het voortbrengt. De vraag moet dus niet zijn wat AI kan, die is al vaak genoeg beantwoord, maar hoe AI onze arbeid, onze omgang met ecologische grenzen en de manier waarop we onze samenleving organiseren beïnvloed.

Invloed van en op de maatschappelijke omstandigheden
AI ontwikkelt zich, zoals elke technologie, niet in een vacuüm. Hoe de technologie wordt ontworpen, toegepast en ervaren, wordt beïnvloed door de maatschappelijke organisatie waarin het ontstaat. Onder kapitalisme betekent dit voor AI dat het vooral wordt ingezet binnen de logica van de markt, dus voor winstmaximalisatie. Dit verklaart waarom bedrijven investeren in algoritmes die consumentenprofielen verkopen en productieprocessen versnellen door arbeiders eruit te halen.

Maar de markt is niet de enige invloed: staten spelen ook een grote rol, denk aan subsidies, infrastructuur en wetgeving over datacollectie en privacy. Overheden gebruiken AI ook zelf of investeren erin, bijvoorbeeld voor militaire doeleinden, surveillance en het profileren van potentiële misdadigers. De manier waarop binnen een samenleving gekeken wordt naar een technologie bepaalt hoe en of het wordt omarmd of bekritiseerd.

Technologie is nooit neutraal, maar hangt af van het sociale systeem om haar heen. Dezelfde algoritmes die vandaag worden gebruikt om pakketbezorgers te forceren te hard te rijden in kleine dorpjes, zouden in een andere maatschappij kunnen worden ingezet om de collectieve productie van goederen te versnellen, de kwaliteit van verleende diensten te verbeteren en om het plannen van publieke diensten beter af te stemmen op de behoeftes van de bevolking. We moeten ons dus niet afvragen wát AI kan, maar wie er beslist over de toepassing ervan.

AI en arbeid
Het meest zichtbare effect van de toepassing van AI ligt bij arbeid. Het wordt namelijk gepresenteerd als een middel om productiviteit te verhogen. Dit is op zichzelf geen probleem: een stijging van productiviteit zou kunnen betekenen dat we met zijn allen wat minder hoeven te werken. In een kapitalistisch systeem betekent hogere productiviteit echter vaak niet meer vrije tijd of betere omstandigheden voor de arbeider, terwijl dit wel wordt beloofd door de bedrijven die de technologie creëren. Het zorgt vaak eerder voor werkloosheid.

Hoge druk op kwantitatieve output gaat hand in hand met minder autonomie. Met AI kan de werkgever controleren wat de werknemer doet. Waar bezorgers vroeger hun routes met behulp van een uitdraai zelf bepaalden, worden deze nu ‘efficiënter gemaakt’ (i.e., gecontroleerd). DHL-bezorgers krijgen een score op basis van hoe goed ze de vastgestelde route volgen; afwijken wordt gezien als diefstal van de werkgever. AI verandert niet alleen de hoeveelheid werk of de manier waarop het wordt gecontroleerd, maar ook de manier waarop het wordt uitgevoerd.

Arbeid verandert altijd, de vraag is dus niet óf het verandert met deze nieuwe technologie, maar in wiens voordeel. Automatisering trof vroeger vooral repetitieve taken. AI treft nu ook creatieve taken zoals schrijven, grafisch ontwerp en programmeren. Tekst en beeld worden in enkele seconden gegenereerd, waardoor arbeid die ooit alleen door mensen gedaan kon worden, nu wordt geautomatiseerd en versneld. Werkgevers staan voor een keuze: is AI bedoeld als tool of als vervanging? 

Ecologische impact
AI lijkt zo licht en simpel: je voert een prompt in en er verschijnt binnen enkele seconden een hele lap tekst of een plaatje, bijna alsof het zo onschuldig is als een zoekopdracht in Google. Maar om dat simpele scherm weer te geven, staan er datacenters dag en nacht te draaien, met een constante vraag naar elektriciteit, water en schaarse metalen. Elke output van AI is verbonden met materiële en ecologische kosten.

Hoewel bedrijven steeds efficiëntere technieken ontwikkelen, is het doel hiervan niet om ecologisch te zijn, maar om geld te besparen. De ontwikkeling van AI is een moderne versie van de Jevonsparadox: meer efficiëntie leidt niet tot minder verbruik, maar tot meer gebruik en dus meer verbruik. Dit klinkt abstract, maar we zien het bij AI als volgt: bedrijven ontwikkelen krachtigere en efficiëntere chips en software om AI-modellen zuiniger en sneller te laten werken. Maar in plaats van een snellere en efficiëntere GPT-4, krijgen we GPT-5, een groter en zwaarder model. Daarnaast wordt AI breder toegepast naarmate het efficiënter en dus goedkoper wordt. Het gevolg hiervan is dat het totale energie-, water- en metaalverbruik stijgt.

Schaarse metalen worden gebruikt voor hardware, energie wordt verbruikt voor het draaiende houden van de machines, en er wordt enorm veel water gebruikt voor koeling. Tijdens de training en achttien maanden gebruik verbruikte het AI-model van het bedrijf Mistral bijvoorbeeld 281.000 kubieke meter water en stootte het 20,5 kiloton CO₂ uit.

Uitgaande van vergelijkbare verbruikscijfers voor ChatGPT als voor Mistral, verbruikt ChatGPT met 190 miljoen actieve gebruikers per dag en 2,5 miljard prompts gemiddeld per gebruiker 15 gram CO₂. Dit staat ongeveer gelijk aan 300 meter autorijden, nog geen drie seconden douchen en ongeveer dertien twee-centmuntjes aan koper. Dat zijn de cijfers van de gemiddelde ChatGPT-gebruiker per dag. Vermenigvuldig dit met 190 miljoen en je hebt dagelijks gebruik van ChatGPT.

Vergelijkingen en cijfers geven soms slecht schaal weer. Het lijkt dus weinig, maar je moet het zo zien: zonder ChatGPT was dit niet verbruikt. Het is een nieuwe toevoeging. Je kunt één prompt inderdaad vergelijken met tien tot twintig minuten YouTube streamen, maar je moet bedenken dat mensen niet minder YouTube zijn gaan gebruiken vanwege ChatGPT. En wat het wel vervangt, zelf nadenken en iets googelen, verbruikt veel minder. Alles extra, zelfs kleine percentages, telt op grote schaal wel degelijk zwaar mee. Eén ritje in de auto lijkt onschuldig, maar alle autoritten samen veroorzaken vijftien procent van de jaarlijkse CO₂-uitstoot.

Het punt is dus niet hoeveel één prompt kost, maar dat miljarden prompts samen veel uitstoten. In een tijd waarin we juist proberen de ecologische impact van de samenleving te verkleinen, kunnen we ons dit niet veroorloven. De keuze is nu tussen doorgaan voor economische groei of de grenzen van onze planeet respecteren. Dit is geen technische kwestie, maar een politieke beslissing, en politieke beslissingen horen niet door bedrijven te worden genomen.

Conclusie
Binnen het kapitalisme zien we hoe AI als versneller werkt voor de huidige arbeidsspanningen: intensivering van arbeid, groeiende ongelijkheid, hogere druk op ecologische grenzen en versterking van staatscontrole. Dat maakt niet dat AI van zichzelf slecht is, maar het laat zien dat de gevolgen van technologieën afhankelijk zijn van de belangen waarvoor en waarin zij ontworpen zijn.

Technologie is dus noch goed, noch slecht. Het is de context, de maatschappelijke ordening waarin het wordt geplaatst, die bepaalt of AI bijdraagt aan verdere exploitatie van arbeiders over de wereld, of juist een stap vooruit betekent in het plannen van onze onvoorspelbare economie. De vraag die overblijft is dus niet of de stekker uit AI moet worden getrokken, maar welk doeleinde deze nieuwe technologie zou moeten hebben. Dat is geen technische vraag, maar een politieke keuze die wij als samenleving moeten maken.

Leuk artikel? Meld je aan voor de Paraat nieuwsbrief!