Oscar Kronenburg en Richard Hoogstraten namens Communistisch Platform
Willem Gloudemans reageerde op 25 augustus jl. op het eerder ingestuurde stuk ‘Over nut en nadeel van Communistisch Platform voor het partijleven’ van Richard Hoogstraten. Willems reactie was ook meteen een aankondiging van de nieuwe discussiegroep HET PLAN. Het stuk van Willem begint vanuit het vertrekpunt dat Richard zou sjoemelen met de waarheid over de ontstaansgeschiedenis van de RSP en de rol van het Communistisch Platform (CP) daarin. Maar de claims die hij daartegenover zet onderbouwt hij niet, en komen – voor zover wij kunnen achterhalen – ook niet overeen met de waarheid.
Om een paar voorbeelden te noemen:
- Carlos van Eck dwong de Socialisten af onder protest van Communistisch Platform;
- Communistisch Platform pleitte tegen het aannemen van ‘een anti-imperialistische en revolutionaire tactiek’ (wat die precies ook mocht inhouden, het is niet duidelijk naar welke incidenten dit exact verwijst);
- Communistisch Platform hield discussies die jarenlang voortsleepten (wat wordt hiermee bedoeld? Beschuldigt Willem CP ervan de veroorzaker te zijn van te langlopende discussies? Op welke manier en welke discussies specifiek?);
- Communistisch Platform heeft het programma van Socialisten/RSP ‘afgedwongen’ (hoe kan je een programma ‘afdwingen’?).
Maar het doel van dit artikel is niet een simpele ‘factcheck’, en we zullen ook niet alles punt voor punt behandelen. Het is belangrijker om de achterliggende strategische aannames te bekritiseren die de nieuwe basis lijken te vormen voor HET PLAN. Om dat fatsoenlijk te kunnen doen, moeten we eerst de misvattingen over de strategie van CP rechtzetten.
CP en de rechterflank
Volgens Willem was het CP dat zijn uiterste best deed om SAP/Grenzeloos en personen als Erik Meijer betrokken te houden bij het project van de Socialisten/RSP. Om dat te bereiken zouden we geen partij willen vormen, discussies houden die zich jaren voortsleepten, een ‘actieprogramma’ voorstaan en geen harde standpunten willen innemen over Oekraïne.
Een wat bijzonder verwijt. Het klopt dat CP tegen het (direct) vormen van een partij was met de Socialisten. Wij zagen daar op dat moment niet de basis voor: het was een project van mensen met uiteenlopende politieke achtergronden, deels aangesloten bij bestaande groepen, met als enige gemene deler een afkeer voor de royementen in de SP. Daarom leek het ons beter om de basis voor een partij te smeden via gezamenlijke actie in een samenwerkingsverband gebaseerd op een korte lijst gezamenlijke uitgangspunten, in plaats van direct de programmakwestie aan de orde te stellen.[1] Omdat er was gekozen om wél over te gaan tot partijvorming, moest ook een programma worden opgesteld. Dit zorgde voor lange discussies en een trage start, waardoor veel mensen (zeker niet alleen de rechterflank) wegliepen. We vragen ons wel af wat het alternatief van Willem dan zou zijn, waarin we wel voor partijvorming zouden gaan, maar dan zonder de lange discussies. Hadden we maar gewoon een voorstel neer moeten leggen, en vervolgens iedereen die daar niet gelijk akkoord mee was de organisatie moeten uitjagen?
Daarnaast was het CP dat op de eerste Socialisten-conferentie voorstellen indiende om frasen over zelfbeschikking van naties (waarmee overduidelijk gedoeld werd op Oekraïne) en een economistische eisenlijst te schrappen.[2] Later heeft het CP-bestuur een beruchte verklaring uitgebracht tegen sociaal-imperialisme[3] en een resolutie op de tweede Socialisten-conferentie ingediend over het Oekraïnestandpunt van de organisatie.[4] CP liep in die zin juist voorop bij het bestrijden van de rechterflank.
Wat betreft het verwijt dat wij een ‘actieprogramma’ zouden voorstaan, haalt Willem verschillende zaken door elkaar. Wij zien het minimumprogramma niet als een soort wiskundige formule, met daarin alleen die eisen die de arbeidersklasse aan de macht gaan helpen. Omdat wij ons moeten verhouden tot het verraad van de sociaaldemocratie en het falen van de Sovjetunie, moeten wij ons in ons programma duidelijk van deze twee projecten onderscheiden. Daarom zullen we verschillende belangrijke (sociale) thema’s moeten behandelen in ons programma.[5] Dat is iets anders dan het type programma dat de rechterflank van de Socialisten voorstond, waarin economistische en reformistische eisen het revolutionaire doel zouden moeten verhullen.
CP en centralisme
Verder stelt Willem dat CP tegen professionalisering en centralisme zou zijn, en dat activiteit volgens ons altijd ‘vanuit de groepen’ zou moeten komen. Daardoor zouden wij slaafs achter de huidige beweging aanlopen, omdat we onvoldoende zouden geloven in de potentie van de RSP. Ook zouden CP’ers in de verdediging zijn geschoten naar aanleiding van zijn bijdrage in het intern bulletin over democratisch centralisme.
Waar dit beeld vandaan komt, wordt niet geheel duidelijk. Dat het eerdere besturen van de Socialisten/RSP, waar ook CP’ers in zaten, niet gelukt is om voldoende handvatten te bieden voor lokale afdelingen, betekent nog niet dat dat een CP-brede strategische oriëntatie is (of was) dat alle activiteit ‘vanuit de groepen’ moest komen. In het gezamenlijke CP-programma voor het bestuur, ‘Aan de slag’, stond het in ieder geval niet. Vanuit het CP-bestuur werd hier ook niet op aangestuurd. En later was het juist een CP’er die met de anti-NAVO-campagne de eerste centrale campagne van de organisatie leidde, terwijl een andere CP’er voorzitter was van het Socialisten/RSP-bestuur. Ook bij het vormgeven van de huidige landelijke antimilitarismecampagne is een CP’er betrokken, en heeft een andere CP’er bij de lancering juist ingebracht dat er meer landelijke sturing moet komen op lokale samenwerkingen. Daarnaast is de enige reactie vanuit CP-hoek op Willems genoemde bulletinbijdrage een stuk dat juist Willems betoog voor centralisme en professionalisering onderschrijft.[6]
‘Iets doen’ = agitatie naar de klasse?
Willem presenteert een keuze: enerzijds de stropop van CP die niets doet, tegen centralisatie en professionalisering is en achter de rechterflank aanloopt, anderzijds een linkerflank die pleit voor een professionele en centraal geleide agitatiemachine. Agitatie naar de klasse lijkt zo de enige manier om effectief ‘iets te doen’. De roerloosheid van CP wordt mede gezocht door te stellen dat door ons de ledengroei van de RSP wordt weggezet als ‘een gelukkig meevallertje’.
Deze kenschets van onze ideeën berust op een misvatting. Ons argument is van een strategische aard: het gaat ons erom wat de kansrijkste manier is om een communistische partij te ontwikkelen. Daarbij geloven wij dat het momenteel onwaarschijnlijk is dat een enkele groep door middel van succesvolle, agressieve agitatie de concurrentiestrijd ‘wint’ van andere linkse groepen en zo een doorbraak forceert. Natuurlijk zijn er in de geschiedenis wel gevallen geweest waarin een kleine groep zich in relatief korte tijd tot een relevante factor wist te ontwikkelen, zoals bijvoorbeeld het geval was met de Chinese Communistische Partij. Onze inschatting is dat wij ons niet in een situatie bevinden waarin zo’n strategie tot succes kan leiden. Willem zelf stelt dat de SPD in de negentiende eeuw haar oorsprong had in een agitatiestrategie, maar het tegendeel daarvan is waar.[7]
We sluiten echter niet uit dat agitatie kan leiden tot een beperkte toename van het ledental van een enkele groep, of dat er verschillen kunnen ontstaan tussen groepen door verschillende mate van competentie. Internationaal zien we bijvoorbeeld dat de zogeheten ‘Revolutionary Communist International’ – de voormalige IMT – in verschillende landen revolutionair communistische ‘partijen’ uitroept, waarbij ze een sterke nadruk leggen op rekrutering door middel van agressieve agitatie. Zij voorzien dat het kapitalisme zich in een acute crisis begeeft en een revolutionair moment aanstaande is. In zekere zin kan gezegd worden dat zij in hun opzet slagen; inderdaad hebben de RCI-‘partijen’ een veelvoud aan nieuwe leden weten aan te trekken.[8] Maar breder beschouwd zijn deze organisaties nog steeds minuscuul, net als de andere linkse organisaties dat zijn.
Dit is een eenvoudig onderscheid tussen de tactische en strategische positie van de organisatie. Ons argument is dat de RSP zich te veel positioneert als een concurrerende linkse sekte zoals alle anderen. Zoals Willem zelf ook erkent is de radicaal-linkse scene in Nederland eveneens van een betreurenswaardig formaat, maar feitelijk is dit al decennia een fundamenteel probleem voor marxisten. Ook de CPN was vele jaren voor haar opheffing slechts een zeer kleine fractie van de arbeidersbeweging, laat staan de bredere arbeidersklasse – net als vele van haar zusterpartijen in het buitenland zoals de CPGB (Groot-Brittannië) of de KPB-PCB (België). De taak die voor ons ligt is van een onvoorstelbare grootte, en daarbij past een zekere bescheidenheid over onze eigen positie, die niet zomaar van de hand kan worden gedaan met een beroep op ‘optimisme’. Het lijkt ons niet overdreven om te stellen dat de weg die voor ons ligt decennialang is. De belangstelling in het communistische project ligt niet voor het oprapen en we moeten het harde werk verzetten om ook de bestaande arbeidersbeweging te engageren, waaronder ook de (andere) marxistische sektes vallen. Zoals in de vorige bijdrage aan deze discussie al werd benoemd is dit niet slechts een kwestie van het ‘evangeliseren’ van onze visie, maar versterken we hiermee ook onze eigen organisatie en leden.
Tegelijkertijd introduceert Willem een valse tegenstelling, volgens hem is het óf rechtstreeks naar de klasse gaan en de bestaande beweging grotendeels rechts laten liggen, óf ongeorganiseerd interventies doen en achter de beweging aanlopen. De mogelijkheid van centraal geleide en gecoördineerde interventies richting de bestaande beweging ziet hij niet. Een voorbeeld daarvan is de al eerder genoemde anti-NAVO-campagne: die was succesvol in het injecteren van marxistische ideeën over oorlog en vrede in de bestaande vredesbeweging. In plaats van de jaarlijks terugkerende NAVO-tegentop waar alleen de softlinkse platitudes over diplomatie en internationaal recht werden herhaald, hebben we ook onderwerpen als een democratisch volksleger op de agenda gekregen. Wanneer we dit soort interventies bovendien in nauwere samenwerking met de afdelingen kunnen doen, wordt onze impact alleen maar groter.
Als laatste willen we nogmaals benadrukken dat wij als CP de inzet van agitatie niet uitsluiten.[9] Wij hebben dan ook nooit geprobeerd om agitatorische activiteiten in afdelingen, zoals organisatie van huuracties, tegen te houden. Bovendien is de grens tussen het aanspreken van ‘de klasse’ en de bestaande beweging niet altijd hard. Bijvoorbeeld kan een verkiezingsdeelname ook het tactische doel hebben om bestaande standpunten uit te dagen en te dwingen tot debat, zelfs wanneer duidelijk is dat de kans op het behalen van een zetel zeer onrealistisch is. Ook de anti-NAVO-campagne was tegelijkertijd deels agitatorisch: er werd een breder publiek bereikt dan alleen de onmiddellijke deelnemers aan de campagne en de bestaande beweging. Besluiten hierover moeten veel flexibeler worden genomen dan het rigide schematisme dat Willem met ‘HET PLAN’ voorstelt. Ons argument is voornamelijk dat engagement van de bestaande beweging onze primaire zorg moet zijn en agitatie met een breder publiek een secundaire overweging.
Wij denken dat hierin inderdaad een fundamenteel verschil ligt tussen CP en ‘HET PLAN’, en dat een oriëntatie ‘naar de klasse’ feitelijk de hoofdmoot is van de politiek van laatstgenoemde.
RSP-congres april 2026
Ook gaat Willem nog in op wat er in het eerdere artikel van Richard en in het CP-congresverslag is geschreven over het RSP-congres van april 2026, zowel over de discussie over de Nieuwe Vredesbeweging (NVB) als de partijraad. Daarover kunnen we kort zijn. Bij de toelichting van amendement 15 op de jaartaken heeft kameraad Gijs op het gebied van antimilitarisme de samenwerking met de NVB verworpen, en opgeroepen dat we in plaats daarvan met socialistische organisaties als de Belgische PVDA-PTB moeten samenwerken.[10] Dat er kennelijk geen Nederlands voorbeeld beschikbaar was, zegt wat ons betreft genoeg. Wat verder wel of niet telt als een significant standpunt in de organisatie is natuurlijk geen exacte wetenschap, maar het door Willem genoemde getal van zo’n twintig procent[11] valt daar wat ons betreft wel onder. En wat betreft de partijraad staat het te kort door de bocht beschreven in het CP-congresverslag, maar wie ons stemadvies en de notulen[12] erop naslaat ziet dat er niet ‘gelogen’ is over het voorstel. Feit blijft dat ook met het voorstel zoals het er lag sprake zou zijn van oververtegenwoordiging van kleine afdelingen, en ondervertegenwoordiging van grote. Ook was het alternatief van CP, het ‘groot bestuur’, juist centralistischer van aard dan een (in de kern federalistische) partijraad. Iets wat HET PLAN toch zou moeten toejuichen.
Sentiment tegen facties
Wat betreft het betoog van Jan riskeren we de gevoerde discussie te herhalen. Omdat Willem toch de reeds bekende zetten opvoert, zijn we gedwongen ook de tegenzijde nog eens te weergeven. Het volstaat niet dat Jan (of anderen in zijn plaats) zijn argumenten probeert te nuanceren door te stellen dat hij op geen enkele manier het factierecht wil ontkennen. Zijn argumentatie impliceert namelijk het tegenovergestelde, dat kenbare knellingen in het budget van de bredere organisatie moeten worden opgelost door een factionele organisatie aan te spreken op haar middelen, zonder eerst voor de hand liggende eigen oplossingen te verkennen. Het erkennen van het recht om eigen middelen te organiseren valt niet te rijmen met bewering dat het behouden van de eigen middelen ongerechtvaardigd is, dus niet legitiem. Dit is niet enkel een woordspelletje maar een daadwerkelijke poging om het recht op onafhankelijke organisatie van facties te beknotten door daar een sociale en politieke grens aan te stellen. Mochten de voorstanders van het argument bedoelen dat zij deze bewoording en de verdediging daarvan niet gemeend hadden, maar slechts bedoeld hadden een geheel vrijblijvend verzoek te doen tot een aanvullende eenmalige bijdrage, dan hadden zij ook de oorspronkelijke argumenten kunnen intrekken. Daarnaast is dus ook allang duidelijk geworden dat Communistisch Platform ruime financiële bijdragen levert aan het project, en ook nu wordt dat door Willem buiten beschouwing gelaten wanneer hij herhaalt dat het geld van CP beter ergens anders besteed kon (kan?) worden.
Over de voormalige factie van Willem kan het argument kernachtig worden samengevat dat de LinkerFlank zich had ontbonden met het aantoonbare argument dat het succes van de factie haar eigen bestaansrecht had ingehaald, maar tegelijkertijd de belangrijkste ideeën die op de eigen website werden geformuleerd niet substantieel zijn doorgevoerd in de organisatie. Het argument van Willem dat er wel voorstellen werden gedaan vanuit LF draagt dus niks bij aan de discussie.
Willem voelt zich verder duidelijk aangesproken door de kanttekeningen bij het bestaande programma, maar in dit verband werd LinkerFlank niet specifiek genoemd. Dit voorbeeld toonde slechts aan dat er in de organisatie wel degelijk verschillende richtingen te onderscheiden vielen, we niet zomaar kunnen aannemen dat onze ideeën gemeengoed zijn, en het mede daarom nuttig is om gecoördineerde (tegen-)argumenten in te brengen. Mochten Willem, Elise of anderen samen een voorstel willen indienen om de besproken passages te schrappen of te amenderen dan weten ze waar ze ons kunnen contacteren.
Voor de rest laat Willem de argumenten over het nut van facties ongemoeid, dus we gaan ervan uit dat hij deze wel als een productieve bijdrage aan de discussie heeft aangenomen, en dit ook meeneemt in zijn nieuwe factieproject. In dat geval heeft deze ietwat bijtende polemiek gelukkig ook de RSP nog iets opgeleverd.
[1] Zie ook de reactie van het CP-bestuur op de vragen voor de eerste Socialisten-conferentie en een artikel van Richard Hoogstraten over deze kwestie.
[2] Zie https://communisme.nu/artikelen/2022/10/20/compromissen–uit–de–zolderkamer–verslag–van–de–socialistenconferentie/.
[3] Deze verklaring is later overigens enigszins genuanceerd door het CP-congres.
[4] Zie https://web.archive.org/web/20250326160554/https://socialisten.org/congres/tweede–conferentie/actuele–moties/.
[5] Zie hierover uitgebreider een artikel van Rogier Specht.
[6] Zie ‘Over kliekjes, facties, en het formaliseren van discussie’ in IB 67.
[7] Zie voor een beknopte omschrijving van deze geschiedenis Mike Macnair, ‘The snowball effect’, https://weeklyworker.co.uk/worker/1530/the–snowball–effect/.
[8] Zie verschillende rapportage van RCI hierover. Bijv. https://communist.red/building–the–international–germany–finland–and–the–world–school–of–communism/; https://communist.red/organisational–resolution-2026-raising–our–sights–and–our–profile/; zelfs de Nederlandse afdeling schrijft over de ‘verdubbeling’ van hun ledenbestand https://marxisten.nl/nederland/perspectieven–voor–nederland.
[9] ‘Eigen agitatie, acties, of zelfs verkiezingsdeelname zijn niet uitgesloten, maar we moeten ervoor waken dat de RSP niet naar binnen keert en zich opstelt als troonpretendent van de arbeiderspartij.’ https://weesparaat.nl/waarom-het-communistisch-platform-als-factie-blijft-bestaan/
[10] Zie pp. 11 en 14 van de notulen, beschikbaar op het interne ledensysteem.
[11] In werkelijkheid was dit overigens 18 van de 71 stemmen, dus iets meer dan 25%, zie p. 16 van de notulen.
[12] Notulen, pp. 21–23.




