Mike Macnair is een Marxist met tientallen jaren ervaring in de Britse arbeidersbeweging. In Nederland kreeg hij vooral bekendheid door zijn boek Revolutionary Strategy en zijn artikelen voor de Weekly Worker, het weekblad van de CPGB. Daarnaast zetelt hij in het provisional central committee van de GPGB. Voor een een scholingsmiddag over Marxisme en Electoralisme georganiseerd door Communistisch Platform was hij eind april in Utrecht. Paraat-redacteuren Jules Maximus en Mick Desrosiers maakten gebruik van deze kans om hem te vragen naar zijn kijk op verkiezingen, socialistische (social)media en het belang van een regelmatig verschijnende partijpublicatie.
Jules Maximus: Zou de RSP mee moeten doen aan verkiezingen, ook als we geen kans maken om een zetel te krijgen?
Mike Macnair: ‘Voor mijn tijd, in de jaren 90, heeft de CPGB wel eens meegedaan met verkiezingen, dit om onszelf op de kaart te zetten. Als het ware te zeggen: ‘we’re here’. Het is een tactische vraag; je moet kijken of je er iets mee opbouwt, en of dat de moeite waard is.
Het is daarbij belangrijk om zeer selectief te zijn. Neem George Galloway bijvoorbeeld. Zijn politiek is misschien slecht, maar hij heeft begrepen: je moet je focussen op specifieke kiesdistricten waar iets te behalen valt. Dat geldt ook voor de RSP. Ook al hebben jullie veel meer krachten dan de CPGB; je moet gefocust blijven. Wanneer je die keuze gemaakt hebt moet je een paar honderd mensen mobiliseren, misschien minder voor lokale verkiezingen. Maar je moet altijd blijven denken: ‘wat halen we er uit?’
Mick Desrosiers: Hoe kunnen socialistische partijen als de RSP engageren met verkiezingen, ook wanneer ze zelf niet meedoen?
MM: ‘Het is belangrijk dat je hoe dan ook een manier vindt om met verkiezingen te engageren, maar er is niet één antwoord op die vraag. De CPGB voert iedere verkiezing scherpe discussies over hoe we dit aan moeten pakken.
Bijvoorbeeld: tijdens het Schotse referendum riepen we niet op je slechts van stemmen te onthouden, maar om tot een disruptieve onthouding over te gaan. Dit omdat er frauduleuze zaken aan de gang waren met als doel de Labour party te beschadigen. Als we genoeg mensen hadden gehad, dan had dat bijvoorbeeld bestaan uit het picketen voor stembureaus; oproepen niet te stemmen, en zo het referendum haar legitimiteit te ontnemen. Helaas hebben we momenteel natuurlijk zulke massa’s niet.
Bij verkiezingen is onze vuistregel: vote left where you can, vote Labour where you must. We bieden voorwaardelijke steun aan linkse kandidaten uit de arbeidersklasse als ze bereid zijn zich te committeren aan bepaalde basisvoorwaarden. Toen de Communist Party of Britain deelnam aan een electoraal platform met een anti-EU organisatie, boden we aan op te roepen tot een stem op de socialistische en communistische kandidaten, onder voorwaarde dat ze zich committeren aan de communistische eis van het recht op wapens en volksmilities. Daar gingen ze helaas niet mee akkoord [lacht].
Het is ook goed mogelijk om de krant te gebruiken voor een interventie, als mensen bereid zijn met je te praten natuurlijk. Vanuit de Weekly Worker interviewden we eens kandidaten van Respect (een partij die een alliantie tussen de Socialist Workers Party en de Muslim Association of Britain vertegenwoordigde, red.). De SWP vond toentertijd dat ze binnen Respect niet kon oproepen tot een scheiding van kerk en staat, omdat het een alliantie was met een islamitische partij. Toen wij deze islamistische kandidaten interviewden, bleek dat zij júíst voor een scheiding van kerk en staat waren. Dat de Church of England de officiële staatskerk is bevalt ze uiteraard niet.’
MD: Het is niet overdreven om te stellen dat het uitgeven van de Weekly Worker de hoofdactiviteit van CPGB is. Waarom is het publiceren van de krant zo’n prioriteit voor jullie?
MM: ‘Het geeft ons een politieke stem. De gemiddelde circulatie van de linkse pers is zo’n anderhalf tot twee maal het ledental van de organisatie. Onze organisatie is erg klein, maar ons lezerspubliek is veel groter dan dat. We bereiken met de WW veel meer mensen dan we zelf zouden kunnen. Daarbij speelt ook mee dat het ons niet zo veel geld kost om een keer 500 extra exemplaren te drukken, bijvoorbeeld om gratis uit te delen bij een van de grote Palestinademonstraties.’
JM: Er zijn mensen die stellen dat de rol van de papieren krant achterhaald is door sociale media. Wat zou je tegen hen zeggen?
MM: ‘De antisemitismeheksenjacht (een aanval vanuit de Britse pers op Jeremy Corbyn door hem af te schilderen als antisemiet, red.) heeft aangetoond dat dat niet waar is. Die werd gedragen door de traditionele media. Als het een social mediafenomeen was geweest, had het lang niet dezelfde impact gehad.
De online versie van de Guardian, die geen paywall kent, heeft dan misschien wel meer effect dan de papieren versie, maar dat heeft alles te maken met het feit dat de papieren Guardian dagelijks als krant verschijnt. Het keer op keer hameren op de boodschap, dat is wat zorgt voor impact.
Social media zijn laagdrempelig, maar dat heeft ook haar nadelen. Het betekent dat er geen gedisciplineerde organisatie achter een platform hoeven te staan. Daardoor krijg je kanalen die ik zou karakteriseren als een sekte met één lid.’
JM: Wat is de reden dat de Weekly Worker zo vaak verschijnt?
MM: ‘De oude Leninist (de voorloper van de Weekly Worker, red.) was in eerste instantie een maandblad. Tijdens de mijnwerkersstaking van de jaren negentig werd het een dagblad en daarna weer wekelijks. In de tijd van de socialist labour party van Scargill was de Weekly Worker dé plek waar je las wat er speelde en eveneens welke posities en facties er waren binnen de oude communistische partij, en wat hun standpunten waren.
Net als voor traditionele media geldt hier dat de regelmaat, de frequentie van verschijnen je een mate van invloed geeft die je anders niet zou hebben.’
JM: Er bestaan ook platforms, denk aan LeftLaser, die niet tot een partij behoren maar wel sympathie hebben voor de socialistische zaak. Neemt dit soort ‘partijdige pers’ de noodzaak van een eigen partijpers weg?
MM: ‘Je hebt beide nodig, denk ik. Je hebt uiteindelijk een pers nodig waarbij je kunt zeggen: dit is de partijpositie. Anders leg je jezelf het zwijgen op, ten faveure van de mensen die die patijdige pers runnen.
De hoofdredactie van de Weekly Worker bestaat uit het provisional central committee (vergelijkbaar met het bestuur, red.) van de CPGB. Bij een grotere organisatie, zelfs van slechts een paar honderd leden, denk ik niet dat dat zou werken. Simpelweg omdat er te veel werk is om te doen voor het partijbestuur.
Uit mijn eigen ervaring als business manager van Socialist Challenge, de krant van IMG (een trotskistische groep, red.), denk ik niet dat het goed is om een topzware organisatie te hebben. Het kan wel nuttig zijn om één of twee full-time journalisten te hebben, bijvoorbeeld om mensen achterna te zitten voor interviews, zoals jullie nu doen. Maar je wilt niet te veel full-timers hebben. Dat hadden de bolsjewieken ook niet voor 1908, zoals beschreven in Liebermanns Leninism under Lenin. Ze hadden wel journalisten, maar die werkten niet alleen voor de partijkrant, maar deden daarnaast ook gewoon commercieel schrijfwerk.’
JM: Ook wanneer het partijbestuur zelf niet de hoofdredactie is, zal die hoofdredactie toch op de een of andere manier verantwoording aan de partij moeten afleggen. Zou dat dan bijvoorbeeld direct aan het congres kunnen zijn?
MM: ‘Dat is de structuur die de Duitse SPD (sociaaldemocratische partij van Duitsland) had. Ook de pers van de RSDLP (Russische sociaaldemocratische arbeiderspartij) werkte zo. Omdat het in theorie leidende centraal committee in Rusland opereerde en daar te maken had met constante politieverstoring, was de vanuit het buitenland opererende hoofdredactie autonoom.
De Comintern was van mening dat het Centraal Committee controle over de hoofdredactie moest hebben. Ik denk dat, als het er echt op aankomt, en er geen tijd is om een congres bijeen te roepen, de redactie ter verantwoording moet kunnen worden geroepen door het partijbestuur. Mocht er bijvoorbeeld oorlog uitbreken en de hoofdredactie een onderkruiperspositie in zou nemen. Maar onder de meeste omstandigheden zou een serieus partijbestuur de redactie niet moeten proberen te micro-managen. Net als dat het de verschillende afdelingen niet micro-managed.’
MD: Er is een bepaalde graad van zelfselectie bij de schrijvers voor een partijpublicatie; het zijn al snel studenten, culturele werkers en academisch opgeleiden die die taak op zich nemen. Hoe betrek je de rest van de partij bij de partijpers?
MM: ‘Het ligt in de aard van de Weekly Worker dat het op de rest van links is gericht en niet op de brede massa’s. Dat maakt het lastiger voor kameraden om de stap te nemen om voor ons te gaan schrijven. Maar het heeft ook een voordeel; mensen die de krant kopen, zeggen vaak dat ze blij zijn dat de Weekly Worker niet op een neerbuigende toon schrijft, zoals bijvoorbeeld de Socialist Worker wel doet.
Links wil vaak heel chique geproduceerde kranten en pamfletten maken. Daardoor krijg je een situatie waarin het centrum zendt en de afdelingen dat alleen maar napraten, terwijl we juist veel meer sectorale en lokale publicaties nodig hebben. Dan wordt de drempel om te gaan schrijven ook kleiner. Men kan dan on the job leren schrijven, elkaar leren bekritiseren en zo de vaardigheden opbouwen om voor de landelijke krant te schrijven.
De Weekly Worker is dun, maar 12 pagina’s, is simpel geproduceerd en heeft kleine letters en weinig afbeeldingen. Het is op geen enkele manier een chique ogend blad. Er worden polemische stukken ingestuurd, we moedigen kameraden aan brieven te schrijven en publiceren zowel stukken vóór als tegen onze posities. Daardoor is het net vol te houden. Maar het vergt a hell of a lot of work.’
JM: Zou de RSP een weekblad uit moeten geven?
MM: ‘Dat kunnen jullie alleen zelf bepalen. Je moet een cultuur ontwikkelen waarin mensen het blad financieel willen steunen, het werk van de distributie, de layout, de eindredactie doen en natuurlijk willen schrijven. Voor ons als kleine organisatie, veel kleiner dan de RSP, is het een herculean task, waardoor we soms andere dingen moeten laten schieten. Maar het geeft ons een politieke stem. Daarom zijn wij van mening dat het zeker de moeite waard is.’




