clint verdonschot
De harmonie der scheuren is één van de meest veeleisende boeken die ik ooit las, en dan moet u weten dat ik James Joyces Ulysses heb gelezen. Die vergelijking met Joyce lijkt op het eerste gezicht gepast, want net zoals je worstelt met Joyces gebruik van de gedachtestroom als een stijlmiddel, zul je in Vriezens bundel geconfronteerd worden met zinnen zonder een herkenbaar begin en einde. In het eerste deel van de bundel worden geen hoofdletters gebruikt, in het tweede deel wel, maar nergens geeft een punt het einde van een zin aan. In plaats daarvan zijn er komma’s, puntkomma’s, en dus gedichten die onweerstaanbaar doorstomen naar hun conclusie.
Toch gaat de vergelijking met Joyce uiteindelijk mank. In tegenstelling tot het ellenlange, monumentale Ulysses is de De harmonie der scheuren eigenlijk best kort–maar daardoor niet minder monumentaal. Belangrijker, waar Joyce vooral geïnteresseerd was in het mentale leven van individuen, is het tegendeel waar voor Vriezen. Het centrale onderzoeksthema van De harmonie der scheuren zijn niet individuen, maar collectieven. Het loslaten van de ‘natuurlijke’ zinspauzes lijkt daarom eerder bedoeld om de poëtische reflecties in een nieuw, haast muzikaal ritme te ordenen. Dat is het duidelijkst in het eerste deel van het werk, ‘naar ons toe’, dat strak geordend is in strofes van drie regels waarbij elke twee en derde regels respectievelijk één en twee stappen inspringt.
Het eerste deel laat zich dus lezen als een muzikale verkenning van de collectiviteiten, of liever gezegd: verzamelingen, die het bestaan op aarde kenmerken. Vriezen laat veel van zulke verzamelingen de revue passeren: moleculen; scheikundige elementen; voedselketens; beleggingsportfolio’s; en natuurlijk ook mensen en dieren. In dit eerste deel van de bundel onderzoekt Vriezen ‘hoe dingen in de breedste zin van het woord, samenhangen in de breedste zin van het woord’. Dit is, niet toevallig, een beroemde definitie van het doel van folosofie,[1] de begeerte naar wijsheid, ‘de hoop om te blijven leren’ volgens een blurb van de uitgever, is een belangrijk motief in het boek. Het duidelijkst is deze in het gedicht ‘[F12]’, een hommage aan Empedokles van Akragas. Empedokles is een Oud-Griekse natuurfilosoof die te boek staat als één van de eerste materialistische denkers: in zijn natuurleer bestaat de hele werkelijkheid uit verschillende samenstellingen van de vier elementen (water, aarde, lucht, vuur), en is alle verandering een consequentie van een wisselingen in de samenstelling uit die vier elementen die elkaar soms aantrekken en soms bestrijden. Niets kan immers uit niets ontstaan, en alles, dat is de keerzijde, hangt dus met elkaar samen: ‘van autotroof tot / detrivoor, ieders gangen / kruisen, grijpen tot grond // ineen, allen elkaars bij- / product’
Maar filosofie is niet alles. De harmonie der scheuren is tenslotte ook een Marxistisch werk, en wil derhalve niet alleen de wereld interpreteren, maar ook revolutioneren–of tenminste de noodzaak van revolutie in dichtvorm vangen. Empedokles, zo lijkt het, fungeert in de bundel als een foil, een (filosofische) tegenstander, wiens wereldbeeld wellicht accuraat de totale samenhang van alles op deze wereld beschrijft (beleggingsportfolios met mensen met voedselketens). Het punt is echter dat er ruimte gecreëerd moet worden voor iets radicaal nieuws, iets wat in die samenhang nog niet voorkomt en wat dus wél ontstaat uit het niets.
In navolging van de Maoïstische filosoof Alain Badiou, vindt Vriezen de voortekenen van het radicaal nieuwe in de wiskunde, specifiek: Zermelo-Fraenkel-verzamelingenleer, de theorie van oneindigheid, en de wiskundige methode van forcing. Het gaat te ver om daar in deze recensie dieper op in te gaan, maar wellicht helpt het de lezer als die weet dat deze methode in de wiskunde wordt gebruikt om aan te tonen dat een bepaalde wiskundige hypothese niet herleidbaar is uit een bepaald systeem van wiskundige axioma’s. Die onafhankelijkheid van de hypothese van de axioma’s is een belangrijk gegeven voor Badiou, maar ook voor Vriezen: het is een wiskundig voorteken voor het idee dat we ons iets kunnen voorstellen dat compleet losstaat van het bestaande, datgene wat gegeven is (de axioma’s). En de overgang van het gegevene naar de onafhankelijke hypothese kan dus met recht een radicale omwenteling genoemd worden, een revolutie.
Die revolutie, moet de lezer weten, is voor de Maoist Badiou uitdrukkelijk een gewelddadige gebeurtenis aangedreven niet zozeer door de massa’s maar door de juiste (want: militante) subjecten die van de waarheid van de revolutie weten omdat ze haar letterlijk waar-maken. Badiou’s idee is dat de revolutie, als een radicaal nieuw gegeven, niet van tevoren gerechtvaardigd kan worden; het is moralistisch om dat van militante activisten te verwachten. In plaats daarvan moeten militanten de revolutie volbrengen en zal dan pas de waarheid van de revolutie duidelijk zijn. In dat geval is, met terugwerkende kracht, inzichtelijk hoe een ‘wij’ is ontstaan dat er eigenlijk altijd al was:
Of waren we er al Overal tussenin Onbeholpen primair,
een beetje vergeten Schuchter, vluchtig Maar van alle tijden
en osmotisch ons verspreidend Koppig In leven In berichten
tussen havens en achterland, overal waar handel is In aanleg planetair,
alleen niet grijpbaar nog
Vriezen’s begrip van revolutie staat centraal in het laatste deel van de bundel ‘Restanten’ waar het in conversatie treedt met dat van andere communistische dichters–Sonja Prins en Henriëtte Roland Holst (door Vriezen in de verantwoording aan het einde van de bundel aangeduid als HRH, Her Royal Highness)–en Jeroen Mettes, een dichter die wellicht niet bekend staat als communist maar wiens naam wel voor altijd verbonden zal zijn aan de alterglobalistische beweging die ontstond na de protesten tegen de bijeenkomst van de Wereldhandelsorganisatie in Seattle 1999.
In feite past het revolutiebegrip van die protesten bij Badiou: een onafleidbare, radicale gebeurtenis letterlijk uit het niets–de falsificatie van Empedokles’ natuurfilosofie–die aangedreven wordt door politieke militanten die de waarheid van die gebeurtenis in leven houden en, waar mogelijk, volbrengen. Dit revolutiebegrip past natuurlijk minder goed bij de meer pacifistisch ingestelde Henriëtte Roland Holst. De laatste schreef ooit een gedicht, ‘Wij zullen u niet zien’, dat gericht is aan de Vrede. Hier een belangrijke passage:
Wij zullen u niet zien, lichtende Vrede,
wij zullen niet worden in uw glans gewijd;
d’ extase van den laatsten aardestrijd
zal niet zette’ in gloed onze leden
noch ons hart vullen met haar zaligheid.
Hoe Roland Holst de strijd in ons tijdperk inschat, negatief, zonder dat we de lichtende Vrede aan het eind zullen meemaken, contrasteert sterk met Badiou’s inschatting van militant activisme, een activiteit–letterlijk–van het waarmaken van de revolutie. Zo’n negatieve inschatting, dat het einde van de klassenstrijd niet in ons bereik ligt, is misschien te pessimistisch. Aan de andere kant mag je gerust de kriebels krijgen van Badiou’s militante activist wiens blinde geloof in het eigen gelijk letterlijk hetgeen is waarvan het succes van de revolutie zou afhangen.
Ik benoem deze tegenstelling tussen Badiou en Roland Holst omdat ze productief is in Vriezen’s ‘Restanten’. Vriezen draagt een stuk uit het gedicht ‘F12’ op aan Roland Holst, waarin hij ook verwijst naar haar beroemdste gedicht, ‘De zachte krachten zullen zeker winnen’: ‘Moest dus ons weten zwakker, / sterkte ons zachtere kracht’. Dat Vriezen hier het weten expliciet afzwakt, mag je gerust lezen als een knieval naar Roland Holst, gedaan, overigens, zonder haar gelijk te willen geven. Even later in hetzelfde gedicht, verwijst Vriezen expliciet naar de strofe uit Roland Holst die ik hierboven citeerde:
Zonder uitzicht
op extase van een laatste planetaire strijd Konden we, moe, nog zingen
hoe zege aantoonbaar heeft bestaan
De vraagvorm van de regels, de onzekerheid over onze capaciteit om nog te geloven in de overwinning, staat op gespannen voet met het bestaan van de zege dat aantoonbaar is. Ik interpreteer het als een puntige uitdrukking van de productieve spanning die de hele bundel doortrekt: wiskundige zekerheid tegenover diepe twijfel; het radicaal nieuwe, uit niets afleidbaar, tegenover het historische proces dat voorzienbaar zal leiden tot de afschaffing van het kapitalisme. Dát is een spanningsveld dat, volgens mij, voor de meeste communisten veel herkenbaarder is dan het fanaticisme van Badiou’s militant. •
[1] Volgens Wilfrid Sellars: ‘The aim of philosophy, abstractly formulated, is to understand how things in the broadest possible sense of the term hang together in the broadest possible sense of the term.’




