De opkomst van het laat-Stoïcisme: Hoe Westerse elites Marcus Aurelius gebruiken als troostdeken

Sander Abbema

Het is de hipste trend waar je docent Klassieke Talen ook over kan meepraten: Stoïcisme is hot, en dat is eigenlijk best fascinerend. Deze filosofie uit de klassieke oudheid heeft voor mij altijd een stoffig imago gehad. Ik leerde het kennen via wijlen mijn oom, een enorm lieve man en (inderdaad) een docent Klassieke Talen. Hij was allang met pensioen—in mijn beleving was hij het altijd al—maar hij verloor nooit de maniertjes en karaktertrekken van zijn beroep. Voor de jonge mij had Stoïcisme dus iets te maken met sokken in je sandalen dragen, aardappelen zonder jus eten, en goedaardige hobby’s hebben zoals postzegels verzamelen of vogelen.

Het Stoïcisme van mijn oom contrasteert sterk met de Stoïcijnen die vandaag de dag furore maken. Het hedendaagse Stoïcisme, dat vind je bij Silicon Valley-CEO’s die leven als ‘seculiere monniken’ en voor wie introspectie vooral betekent dat een smartwatch hun stressniveau bijhoudt.[1] Je vindt het bij zelfhulpgoeroe’s die hun publiek adviseren om op de grond van de supermarkt te gaan liggen, omdat je zo leert je minder aan te trekken van andermans oordelen.[2] Je leest erover in blogjes van McKinsey-consultants over hoe Marcus Aurelius je kan helpen een succesvolle onderneming op te bouwen.[3] Wat is er in hemelsnaam gebeurd? Wat moeten al deze gelikte, kapitalistische types opeens met de stoffige filosofie van mijn oom?

Stoïcisme en laat-Stoïcisme

Even terug naar het begin: het Athene van de Hellenistische periode, grofweg de periode ná de politieke dominantie van Athene. Daar ontstond een filosofie die tot op de dag van vandaag een indrukwekkend gevolg kent. Het Stoïcisme, ook wel: de Stoa,[4] bepleit een leven in overeenstemming met de rede en de natuur. Leven in overeenstemming was volgens hen de enige manier om gelukkig te worden. En ‘in overeenstemming’ leven, dat betekent o.a.: de omstandigheden om je heen als gegeven accepteren en zelfs te omarmen. Iemand die die omstandigheden probeert te veranderen, zal namelijk bedrogen uitkomen.

De Griekse Stoïcijnen waren ervan overtuigd dat de wereld causaal gedetermineerd is en dat de mens daarom überhaupt niet de vrijheid heeft om iets te veranderen. Het enige wat een mens kan beslissen, is wat voor houding aan te nemen als die diens lotsbestemming ondergaat. De Stoïcijnen vergeleken de mens met een hond die vastgebonden is aan een rijdende kar: de enige keuze die deze hond heeft is om vrijwillig mee te lopen óf anders aan de nek meegesleurd te worden. En dat is een duidelijke keuze: het levensgeluk van de hond bestaat erin om in te stemmen met diens situatie. Evenzo met de mens.

Je stemt in met je situatie door je emoties te reguleren, door te accepteren dat je je lot niet kan veranderen en door je daarom te schikken naar dat lot. De Stoïcijnen gingen daar bovendien best ver in: ook al heeft de mens nul invloed op diens omstandigheden, we hebben wel absolute vrijheid om ons eigen geluk te scheppen. Dat laatste is namelijk puur een kwestie van luisteren naar je rede en dus door je situatie te accepteren. Meer dan dat zelfs: een verstandig, deugdzaam mens zal diens situatie positief omarmen, ongeacht wat die situatie is. Zo’n mens kan volgens de Stoïcijnen volkomen gelukkig zijn zelfs als die op een pijnbank gemarteld wordt. Zolang die maar in overeenstemming leeft met diens rede, is het onmogelijk voor een mens om ongelukkig te zijn.

De Griekse Stoïcijnen waren later van grote invloed op de Romeinse filosofie. De drie bekendste Romeinse filosofen waren allen ook Stoïcist: Epictetus (een tot-slaaf-gemaakte), Seneca (een politiek adviseur van een gestoorde keizer), en Marcus Aurelius (zelf een keizer, niet gestoord). Deze drie markante figuren waren op hun beurt van blijvende invloed op de intellectuele geschiedenis van het Westen: van de Renaissance via de Verlichting tot de 21e eeuw, waarin het Stoïcisme een heropleving als een zelfhulpmethode doormaakt. Het meest opvallend is de hedendaagse populariteit van de filosofische school binnen de tech-sector en de financiële wereld,[5] maar een oplettend iemand vindt de Stoïcijnen in allerlei hoeken van de samenleving terug. Van het op ouderen gefocuste ISVW in de bossen van Leusden, tot het extreem yupperige The School of Life in hartje Amsterdam. In serieuze, literaire boekhandels, maar ook gewoon bij de Bruna. Offline en online, in paperbacks, Substack-nieuwsbrieven, podcasts, en YouTube-video’s: overal waar aan populaire filosofie wordt gedaan, tref je de levenswijsheden aan van (voornamelijk) de Romeinse Stoïcijnen—en vooral Marcus Aurelius—aangereikt als een manier om om te gaan met stress in je leven, om het verlies van een dierbare te verwerken, om liefdesverdriet te verzachten, etc. Omdat ik deze hedendaagse zelfhulpmethodes wil onderscheiden van de filosofie van de Grieken en Romeinen en de mensen met een interesse in die oude filosofie, zal ik in dit essay refereren aan de hedendaagse zelfhulpmethodes als ‘laat-Stoïcisme’.

Wat verklaart de opkomst van laat-Stoïcisme? Commentatoren hebben al eens opgemerkt dat het een Godvormig gat opvult in een ontkerkelijkte en individualistische samenleving. Laat-Stoïcisme is in deze lezing de geknipte surrogaatreligie voor atomistische individuen in de precaire, verweesde samenleving van het Westen. Een goede illustratie hiervan is het Nederlandse boegbeeld van het laat-Stoïcisme, Lammert Kamphuis. Kamphuis groeide op in een vrijgemaakt-protestants gezin in Kampen. Zijn opa en zijn vader waren hoogleraren protestantse theologie en, naar verluidt, berucht om hun orthodoxie. Kamphuis zelf viel tijdens zijn studie van het geloof, naar eigen zeggen onder invloed van ‘het postmodernisme’. Toch ziet Kamphuis dat ook buiten de Ware Kerk niet alles in orde is: ‘Het individualisme is een bevrijding, maar dat blijkt niet het hele verhaal. Het zorgt ook voor verharding van de maatschappij. Er staat veel spanning op’.[6] In zo’n situatie komen de Stoïcijnen tot de redding: niet door het postmoderne individualisme te ontstijgen, maar omdat ze het individualisme inherent aan de postmoderne maatschappij kunnen voorzien van een soort quasi-spiritueel cachet.

De lezing van het laat-Stoïcisme als simpelweg een surrogaatreligie voor postmodernen mist echter iets. Het plaatst de oorzaken van de populariteit van deze filosofie vrijwel uitsluitend in een massale subjectieve behoefte aan zingeving. Maar waarom komt dan het Stoïcisme bovendrijven en niet, bijvoorbeeld, een van de andere filosofische scholen uit de klassieke oudheid? De Epicuristen, Sceptici, Cynici; er zijn zat Hellenistische filosofen die zich bezighielden met persoonlijk levensgeluk. Bovendien kun je je afvragen waar die focus op het persoonlijke überhaupt vandaan komt: waarom kiest de postmoderne mens er niet gewoon voor om nieuwe, seculiere vormen van gemeenschap na te streven?

Het laat-Stoïcisme vervult niet alleen een religieuze, maar ook een psychologische functie. Het klopt dat het zingeving biedt aan de postmoderne westerling. Maar daarnaast voorziet het laat-Stoïcisme de westerling ook van een broodnodig copingmechanisme, een manier om mentaal te kunnen dealen met de gestage ondergang van het imperialistische machtsblok waartoe hij behoort. Het laat-Stoïcisme is in mijn interpretatie een uiterst aantrekkelijke levensfilosofie voor mensen die zijn grootgebracht met het idee dat ze de politieke en economische winnaars op deze aardbol zijn en nu geconfronteerd worden met een uiterst vijandige werk- en leefomgeving. Dat zou in ieder geval goed de populariteit van het laat-Stoïcisme verklaren onder de verweesde individuen in Silicon Valley en Wall Street; mensen die functioneren in de meest precaire, cutthroat werkomstandigheden, en wiens taakomschrijving erin bestaat om ‘vlug te bewegen, en dingen kapot te maken’.[7]

Coping in Athene en Rome

Strikt genomen is de rol van het Stoïcisme als een soort filosofische cope niet nieuw. Integendeel: het is frappant hoe het Stoïcisme elke keer de kop op duikt in de nadagen van een politieke hegemonie; het lijkt wat dat betreft wel een soort zwanenzang voor stervende wereldmachten. Zo ging het met de eerste generatie Stoïcijnen tijdens de Hellenistische periode. Tijdens deze periode was de Griekse cultuur weliswaar hegemonisch, maar was de politieke rol van het Oude Athene op het wereldtoneel allang uitgespeeld: die rol was overgenomen door het Macedonische Rijk van Alexander de Grote en daarna het Romeinse Rijk. Mede daarom is de Hellenistische filosofie zo gedepolitiseerd: waar Plato en Aristoteles nog uitgebreide verhandelingen over de ideale inrichting van de staat schreven, zijn latere, Hellenistische filosofieën zoals het Stoïcisme en het Epicurisme voornamelijk gericht op het apolitieke domein van de individuele mens. Die vlucht naar het apolitieke domein heeft natuurlijk iets te maken met het verlies van Athene’s hegemonische status.

Dat is heel duidelijk het geval voor de Epicuristen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het iets genuanceerder ligt bij de Stoa. Zij verdedigden bijvoorbeeld wel degelijk het standpunt dat een deugdzaam mens ook voldoet aan de plicht om, bijvoorbeeld, zorg te dragen voor anderen, en dat kan ook inhouden dat de deugdzame mens zich mengt in politieke zaken. Toch staat dit in schril contrast met, bijvoorbeeld, Aristoteles, voor wie een volwaardig mensenleven zonder politieke participatie überhaupt ondenkbaar was. De Stoïcijnen, eenmaal op een politiek zijspoor gezet, konden zich dat prima voorstellen en het is verleidelijk om de conclusie te trekken dat ook zij aan het copen waren met hun eigen cognitieve dissonantie: ‘prima, ik wilde toch geen politieke rol van belang spelen’.

Ik kan natuurlijk niet stellen dat het ook de Romeinse Stoïcijnen ontbrak aan politieke relevantie. Zelfs Epictetus, die feitelijk tot slaaf gemaakt was, stond als onderdeel van het huishouden van een functionaris van keizer Nero in het centrum van de Europese wereldmacht destijds. Seneca was Nero’s persoonlijke adviseur. Marcus Aurelius was een slordige 100 jaar later zelf gewoon de machtigste man van Europa, West-Azië, en Noord-Afrika samen. Toch is het niet gek om te stellen dat ook de Romeinse Stoïcijnen hun filosofie schreven vanuit een groeiend bewustzijn van een aanstaande ondergang, als niet van het rijk, dan wel van zichzelf. Dat geldt voor Epictetus en Seneca, die Nero’s tirannie op het scherpst van de snede meemaakten. Het werd Seneca zelfs fataal nadat hij door Nero in een blinde paniek (en ten onrechte) werd beschuldigd van samenzwering. Maar het geldt ook voor Marcus Aurelius, die vaak wordt gezien als de laatste capabele keizer die Rome ooit nog zou hebben; toen hij stierf kwam er een definitief einde aan de ‘Pax Romana’, een periode waarin de economische, culturele, en politieke hegemonie van Rome voor relatieve stabiliteit en welvaart had gezorgd. Daarna luidden de externe dreiging van de Germanen en de interne destructieve machtsspelletjes een periode van langzaam maar gestaag verval in.

Bovendien was ook Marcus Aurelius zich bij leven pijnlijk bewust van het noodlot dat hem ieder moment kon treffen. Een keizer kon, ook tijdens de hoogtijdagen van Rome, op elk moment uit de weg geruimd worden door zijn politieke tegenstanders. Je deed er daarom goed aan om jezelf niet oppermachtig te rekenen. Vandaar ook dat Marcus Aurelius lovend schrijft over republikeinen zoals Brutus (degene die Julius Caesar om het leven bracht) en zichzelf de paradoxale les geeft: ‘zorg ervoor dat je niet verandert in een Caesar’ (Meditaties, VI.30). Marcus Aurelius zag Caesar overduidelijk als een slecht mens, iemand die onder invloed van zijn macht ontspoorde en daarom de doodsteek verdiende die Brutus hem toebracht. Tegelijkertijd is dit ook een manier waarop Marcus Aurelius zichzelf bewust maakt van het feit dat er mensen zijn die op dezelfde manier over hem denken zoals Brutus dat deed over Caesar. Het devies om de macht niet naar het eigen hoofd te laten stijgen, is indirect ook een manier om bewust te blijven van hoe snel het gedaan kan zijn met een machthebber. Een bewustzijn van de eigen sterfelijkheid, de onvermijdelijkheid van het noodlot, en het beperken van je eigen invloed op wereldse zaken: dit waren voor de Romeinse Stoïcijnen niet alleen algemene levenswijsheden, maar wederom een manier om de eigen cognitieve dissonantie te reduceren: ‘prima, ik hoefde toch mijn lot niet in eigen handen te hebben’.

Leer copen als een Romeinse keizer

Anno nu reduceert het Stoïcisme nog steeds de cognitieve dissonantie van de gewezen elites van het westerse imperium. Nu hun privilege niet langer functioneert als een mentaal schild tegen hun feitelijke onderwerping aan de imperatieven van het mondiale kapitaal, moeten ze op zoek naar iets anders. Deze elites—witte, vaak welvarende mannen in het westen—vinden in het Stoïcisme niet zomaar zingeving, maar belangrijker nog: copingstrategieën voor het dreigende verlies van macht, status, of zelfs het eigen leven.

Natuurlijk, de wereld is veranderd sinds de tijd van Marcus Aurelius. Maar de technologische ontwikkelingen die we hebben doorgemaakt, hebben de existentiële angsten van onze machthebbers niet kunnen wegnemen. Integendeel: de uitvinding van (relatief) goedkope 3D-printers stelt iedere eenling in staat zijn eigen vuurwapens te printen. De moord op CEO Brian Thompson door (vermoedelijk) Luigi Mangione heeft ervoor gezorgd dat topbestuurders gigantische investeringen doen in hun eigen beveiliging, waar mogelijk militair getraind en uitgerust.[8] De uitvinding van (relatief) goedkope autonome gevechtsdrones stelt iedere halfbakken militante beweging in staat om de rol van een wereldmacht op zich te nemen, al is het maar kortstondig. De maritieme blokkade van de Rode Zee door de Houthi’s in 2024, opgevolgd door die van de Straat van Hormuz door Iran op het moment van schrijven, is voor politieke elites wat de ghost gun is voor economische elites, en wat Brutus was voor Marcus Aurelius: het zinnebeeld van de existentiële angst, de reële dreiging van het noodlot dat elk moment kan toeslaan en waartegen geen enkele verdedigingslinie bestand is.

Dit zijn extreme voorbeelden en ze zullen niet met dezelfde intensiteit gevoeld worden door iedere witte, westerse, welvarende man. Toch zijn er ook in het algemeen belangrijke parallelle ontwikkelingen. Denk bijvoorbeeld aan de opkomst van een multipolaire wereldorde waarin het Westen niet langer vanzelfsprekend de lakens uitdeelt. Denk ook aan de almaar groeiende kloof tussen de superrijken en de rest van de wereld, waardoor het steeds moeilijker wordt voor de middenklasse om net te doen alsof ze bij de heersende klasse hoort. Of neem de doorzettende emancipatie van vrouwen, bij uitstek ook op het werk en in de publieke ruimte, waardoor mannen hun heerschappij over vrouwen niet zomaar publiekelijk kunnen belijden. Al deze ontwikkelingen creëren een psychologische push-factor voor de Westerse elite om te doen zoals de Stoïcijnen adviseerden: beperk je deelname aan wereldse zaken zoals de economie en politiek zoveel mogelijk, keer je naar binnen, en omarm je lot wat er ook moge komen.

Naast die push-factor, is er ook een pull-factor in de figuur van Marcus Aurelius en de erotiserende kracht die uitgaat van zijn macht. Marcus Aurelius’ Meditaties zijn feitelijk van weinig theoretische waarde, een reeks mentale geheugensteuntjes die hij vooral voor zichzelf opschreef. In serieus filosofisch onderzoek worden ze vooral als bijzaak aangemerkt, een aardig historisch inkijkje in hoe het Stoïcisme in de praktijk werd gebracht door één persoon. Iedereen met een serieuze interesse in de Stoa moet eigenlijk de Grieken bestuderen, die naast ethiek ook uitgebreide en fascinerende verhandelingen schreven over metafysica, kenleer, en logica. Voor de hedendaagse Stoïcijn liggen de zaken anders. Op hem heeft Marcus Aurelius een gigantische, erotische werking: om de persoonlijke gedachtes te kunnen lezen van de machtigste man op aarde. En dat hij je dan zelfs adviezen geeft die jij kan overnemen. Pfwhoa! Één van de bestsellers van het hedendaagse Stoïcisme appelleert duidelijk aan die machtsgeilheid: Leer denken als een Romeinse keizer (2019, geschreven door Donald Robertson).

De Meditaties stellen de Westerse elite in staat om te geilen op de keizerlijke macht van Marcus Aurelius. Maar daarnaast bieden zijn existentiële reflecties ook mentale houvast aan individuen in de precaire economische en politieke omstandigheden van het laatkapitalistische tijdperk. Die houvast is natuurlijk dysfunctioneel, omdat het er slechts in bestaat de status quo te accepteren en als een hond aan de lijn braaf mee te lopen. Het laat-Stoïcijnse subject mag dromen van keizerlijke heerschappij, maar alleen als het zijn werkelijke onderwerping accepteert en dat wordt des te makkelijker als ze de angsten die daarmee gepaard gaan ook kunnen terugvinden bij Marcus Aurelius. Zo probeert het laat-Stoïcijnse subject op een perverse manier invulling te geven aan het ideaalbeeld van de Griekse Stoa: volmaakt gelukkig worden op de pijnbank van het kapitalisme.

Stoïcisme na het laat-Stoïcisme?

Ik vraag me vaak af wat mijn lieve oom allemaal wel niet zou hebben gedacht van het laat-Stoïcisme. Vanwege zijn werk was hij goed geschoold in de echte Stoïcijnse filosofie, en hij zou ongetwijfeld kritische kanttekeningen plaatsen bij het laat-Stoïcisme. De zeer selectieve lezingen van de oude Stoïcijnen worden vaak uit hun context geplukt puur voor het doel van een makkelijk te consumeren zelfhulpmethode. De Griekse en Romeinse Stoïcijnen vonden dat je je tijd op aarde nuttig moest besteden, dat je geen oppervlakkig geluk moest najagen omdat het duurzame levensgeluk juist vereist dat je jezelf tot een deugdzaam, redelijk persoon ontwikkelt. In het laat-Stoïcisme wordt die levensles gebanaliseerd tot de opdracht om een zo productief mogelijk radertje te zijn in de kapitalistische machine en de rest van je tijd besteed aan navelstaren. Vandaar dat ik ook enige sympathie voel voor de wens om het Stoïcisme terug te veroveren voor de geitenwollensokken, de postzegelverzamelaars, en de vogelaars—mensen zoals mijn oom.

Aan de andere kant ontkom ik niet aan de conclusie dat ook het originele Stoïcisme debet is aan het legitimeren van onderdrukkende sociale verhoudingen. Het is bijvoorbeeld tekenend dat de twee beroemde voorbeelden die de filosofie van het Stoïcisme kracht moeten bijzetten, bedoeld of onbedoeld voorbeelden van overheersing zijn: de hond die maar beter gewillig mee kan lopen aan de lijn, en de mens die volmaakt gelukkig is terwijl hij gefolterd wordt. Deze door mensen gecreëerde situaties worden dan opgevoerd om een zogenaamd objectieve, onveranderbare menselijke conditie toe te lichten: dat de mens per definitie niet het vermogen heeft om iets te veranderen aan zijn situatie. ‘Nou en?-’ hoor ik u vragen, ‘Gewoon slechte metaforen gekozen, dat maakt toch niet uit voor de geldigheid van de Stoïcijnse ethiek?’ Misschien niet, maar ook als het slechte metaforen zijn, zeggen ze iets over de neiging van het Stoïcisme om door mensen gecreëerde machtsverhoudingen te reïficeren, d.w.z. de status te geven van onveranderlijke, natuurlijke wetmatigheden die onafhankelijk van de mens bestaan. De ongemakkelijke gedachte waar de oprechte adepten van het Stoïcisme mee zullen moeten worstelen, is dat het laat-Stoïcisme—de officieuze huisfilosofie van het 21e-eeuwse kapitalisme—misschien dichter in de buurt komt van de geest van de oude Stoïcijnen dan ze bereid zijn om toe te geven. •[9]


[1] Andrew Taggart, ‘Secular Monks,’ First Things, 1 maart 2020

[2] Annemiek Leclaire, ‘Bevrijd jezelf, ga eens in de supermarkt op je rug liggen,’ interview met Lammert Kamphuis, NRC, 5 juni 2018

[3] Eric Quiñones, ‘Author Talks: How Stoic wisdom can guide modern ambition,’ interview met Robert Rosenkranz, McKinsey & Company, 24 juli 2025

[4] Vernoemd naar de ‘stoa poikilè’, de geschilderde zuilengang aan de rand van de marktplaats in het oude Athene, waar de filosofen van deze school samenkwamen.

[5] Helena Schäfer, ‘Silicon Valley is selling us Stoicism like they sold us yoga,’ interview met Anna Schriefl, Philonomist, 2 februari 2022

[6] Lodewijk Dros, ‘”Als je lenig in denken blijft, maakt dat het samen leven soepeler”‘ interview met Lammert Kamphuis’, Trouw, 25 augustus 2023

[7]  Het beruchte Silicon Valley-motto, ‘move fast and break things’, werd bedacht door Mark Zuckerberg en tenminste tot 2014 bij Facebook intern gehanteerd als bedrijfsmotto.

[8] Ken Klippenstein, ‘Let them drive less’, 2 juni 2026,  www.kenklippenstein.com

[9] Voor dit essay heb ik gebruik kunnen maken van de expertise van Maarten van Houte, universitair onderzoeker naar de filosofie van de Oudheid en vogelaar in zijn vrije tijd. Alles wat klopt over het Stoïcisme klopt dankzij hem, elke oversimplificatie en misvatting is voor mijn rekening.