Naar een marxistische staatstheorie van de socialistische markteconomie

Postzegel uitgegeven ter gelegenheid van 1 jaar Chinese Volksrepubliek, 1950. Via Wikimedia

Theryn Arnold – vertaling Tom Steenblok

Om de discussie over China verder aan te wakkeren heb ik besloten een aantal Engelstalige artikelen naar het Nederlands te vertalen. Onderstaand artikel verscheen op 30 april online op Cosmonautmag.com en is geschreven door Theryn Arnold. Een verder verhelderend antwoord van Ewan Tilley is al op Cosmonaut verschenen en hoop ik spoedig te vertalen. Het artikel is niet makkelijk, maar ik heb geprobeerd de soms lastige zinnen van de auteur op een duidelijke manier te vertalen zonder inhoud te verliezen – Tom Steenblok

Theryn Arnold betoogt dat hedendaagse linkse benaderingen van China op zichzelf ontoereikend zijn en gebruikt marxistische staatstheorie om de ‘socialistische markteconomie’ vanuit haar eigen perspectief te begrijpen: als een tegenstrijdige sociale structuur waarin markten niet als een neutrale kracht kunnen worden beschouwd.

Inleiding

Qua nominaal Bruto Binnenland Product is China inmiddels de één-na-grootste economie ter wereld. Politici en duiders hameren steevast op haar successen zoals BBP-groei, technologische vooruitgang, groene industrie,  of haar mislukkingen: mensenrechtenschendingen, autoritair beleid, geopolitieke agressie. Op links neemt het debat een andere, maar net zo herhalende vorm aan. Scherpe polemieken scheiden hen die China als een authentiek socialistisch project zien van hen die het afwimpelen als kapitalisme met Chinese karakteristieken of regelrecht staatskapitalisme. Wat deze tegengestelde posities samenbrengt is een gezamenlijke theoretische zwakte: ze hebben beiden geen overtuigende verklaring voor de staat of de rol van markten in sociale relaties. De kampistische positie[1] die China als oprecht socialistisch ziet wijst voor China’s socialistische karakter naar publiek eigendom en de bedoelingen van de Communistische Partij van China (CPC). De staatskapitalistische positie leidt China’s kapitalistische aard voornamelijk af uit de aanwezigheid van uitbuiting en marktrelaties. Beide positiesbeschouwen de staat over het algemeen als een instrumnt – ofwel ingezet voor het socialisme, ofwel gekaapt door het kapitaal – in plaats van als een specifieke historische vorm met een eigen structurele logica.[2] En geen van beide houdt zich serieus bezig met wat markten voortbrengen buiten de verdeling van goederen en diensten.

Via marxistische staatstheorie en de filosofie van interne verhoudingen betoogt dit essay dat de ‘socialistische markteconomie’ (SME) een tegenstrijdige opstelling is waarin de socialistische staatsvorm en kapitalistische marktverhouding intern met elkaar verbonden zijn als dialectische tegenstellingen, waarbij de tegenstrijdigheden niet enkel door institutioneel ontwerp of politieke wil kunnen worden opgelost. Alleen door de staat en de markt te begrijpen als momenten van een dialectisch geheel in plaats van als logisch onafhankelijke variabelen kunnen we bevredigend beoordelen wat de SME is, wat ze teweegbrengt en wat ze betekent voor de socialistische politiek van vandaag.

De socialistische markteconomie vanuit haar eigen perspectief

De socialistische markteconomie kwam niet voort uit een theoretische blauwdruk. Zoals Brødsgaard en Rutten schreven was het het product van een specifiek en omstreden historisch proces dat zich gedurende vier decennia van hervormingen ontvouwde.[3] De Derde Plenaire Sessie van het Elfde Centraal Comité in 1978 luidde een wezenlijke economische hervorming in en koos er daarbij voor om centrale planning als voornaamste ontwikkelingsmechanisme te behouden. In 1984 introduceerde het Besluit inzake Economische Herstructurering van het Twaalfde Centraal Comité het concept van de ‘geplande wareneconomie’. Het was de eerste officiële erkenning dat warenverhoudingen verenigbaar waren met het socialisme. Het Dertiende Congres in 1987 leverde de formule ‘staat reguleert markt, markt stuurt ondernemingen’ op.[4] Na een periode van terugval tussen 1989 en 1991 vestigden Deng Xiaoping’s Zuidelijke Tour van 1992 en het Veertiende Nationale Congres de socialistische markteconomie als officieel doel. De SME werd niet van tevoren bedacht en vervolgens ingevoerd; het werd tijdens de bouw gerechtvaardigd onder omstandigheden van politieke strijd en ideologische herziening.[5]

Het theoretische bouwwerk dat dit proces rechtvaardigt, is verfijnder dan critici erkennen. Liu Guogang, een van de voornaamste theoretici van SME, maakt een doorslaggevende argumentatieve zet door te stellen dat ‘planning’ en ‘markt’ economische regulators zijn in plaats van kenmerken van sociale structuren.[6] Deze formulering, welke door Deng’s speeches gedurende zijn Zuidelijke Tour in steen is gezet als officiële doctrine, lost de ogenschijnlijke tegenstelling op tussen socialisme en markten door het onderscheid te verplaatsen. Volgens Lui maakt niet de afwezigheid van markten SME socialistisch, maar de dominantie van publiek eigendom, de verdeling van goederen op basis van werk als voornaamste vorm, en gedeelde welvaart als normatief doel. Het bijvoeglijk naamwoord ‘socialistisch’ is niet metaforisch, retorisch of voor de sier, omdat het de klasseninhoud en het institutionele raamwerk waarin de marktmechanismen opereren duidt. Liu identificeert verder vijf structurele marktfalen waarbij de staat moet ingrijpen: publieke goederen, natuurlijke monopolie, verdelingsrechtvaardigheid, ecologische schade, en macroenomische instabiliteit. Staatssturing van de economie is geen vervorming van de markt, maar een noodzakelijke aanvulling ervan.

Het is het waard hier te pauseren om SME te onderscheiden van de traditie van het marktsocialisme, waar het vaak mee verward wordt. Marktsocialisme – de versies die vaak geassocieerd worden met Bardhan en Roemer of met Schweickart’s Economische Democratie – is fundamenteel een normatief-instutioneel project. Dit betekent dat deze academici uit proberen te vogelen hoe ze een socialistische economie kunnen ontwerpen die uit efficiëntieoverwegingen marktmechanismen behoud, maar deze mechanismen onderwerpt aan socialistische eigendomsrelaties.[7] De markt is daarbij een instrument dat binnen een socialistisch raamwerk gebruikt moet worden. SME zet dit op zijn kop. Het stelt niet voor de markt aan socialistisch ontwerp te onderwerpen; maar stelt voor het socialistische karakter van de al bestaande markteconomie te bepalen door de overmacht van publiek eigendom en sturing vanuit de partij. Dit zijn structureel omgekeerde projecten en ze samenvoegen verhult wat hen theoretisch uniek maakt.

De meest verfijnde hedendaagse versie van de bevestiging van SME vinden we in Jabbour, Dantas en Espíndola, die beargumenteren dat het Chinese ontwikkelingsproces van de afgelopen vier decennia een wezenlijk nieuwe socioeconomische structuur heeft geschept.[8] In hun ogen heeft de voortdurende technologische vooruitgang gecombineerd met proactief industrieel beleid nieuwe en betere vormen van economische planning geschept, die de vroegere tegenstelling tussen markt en planning van tijdens de koude oorlog overstijgen. Zij beschrijven het als een ‘nieuwe projecteconomie’: een heropleving van planning, niet als verplichte, richtlijngevende toewijzing, maar als strategische coördinatie van investeringen en productie via de mogelijkheden van staatsbedrijven. Voor Jabbour en zijn collega’s is de SME niet een compromis tijdens een overgang, maar een op zichzelf staande institutionele mijlpaal waarvan de theoretische implicaties nog volledig begrepen moeten worden.

Wat Liu’s theoretische synthese, Jabbour’s nieuwe socioeconomische structuurthese, en de bredere School van Nieuwe Marxistische Economie geassocieerd met Cheng Enfu delen is een serieuze en niet-onbeduidende poging om socialisme en markten binnen een marxistisch raamwerk met elkaar te verenigen.[9] Dit verdient aandacht in plaats van afwimpeling. De historische prestaties van SME bestaan uit werkelijke mijlpalen op het gebied van armoedebestrijding, industriële ontwikkeling en, in toenemende mate, de groene transitie, die niet zomaar af kunnen worden gedaan als louter kapitalistische accumulatie. De theoretische claim dat staatssturing van markten kwalitatief verschillende uitkomsten kan produceren in vergelijking met zelfsturing van de markt, is niet inherent onwaarschijnlijk.

De beperking van dit werk is echter dat het een normatieve beschrijving van de staat meegeeft in plaats van een structurele. Het socialistische karakter van SME is afgeleid van de bedoelingen van de CPC, welke vormen van eigenaarschap de overhand hebben, en welke doelen officeel gezet worden. Dat is, uiteindelijk, voluntaristisch: wanneer de partij de economie naar socialistische doeleinden toestuurt en publiek eigendom dominant is, is het systeem socialistisch. Dit raamwerk kan zich echter niet afvragen of de reproductie van de eigen Chinese staat structureel afhankelijk is geworden van kapitaalaccumulatie door marktverhoudingen, of dat die marktverhoudingen druk uitoefenen die onafhankelijk is van de bedoelingen van de CPC. Het behandelt de staat als een instrument – een machtig en kundig ingezet instrument, maar nog steeds een instrument –  in plaats van een specifieke historische structuur met haar eigen structurele logica. Het is precies dit gat dat een marxistische staatstheorie moet vullen.

Wat links fout heeft: twee ontoereikende posities

De twee dominante linkse posities over China zijn spiegelbeelden van elkaar. De kampistische bevestiging behandelt SME als een oprecht socialistische mijlpaal op basis van de overmacht van publiek eigendom, de sturing van de economie door de CPC, en China’s anti-imperialistisch buitenlandbeleid.[10] De staatskapitalistische kritiek beschouwt het als kapitalisme met Chinese karakteristieken op basis van uitbuiting via loonarbeid, marktconcurrentie, en integratie in de mondiale accumulatiecircuits.[11] Elke positie bevat een kern van waarheid. De kampistische positie heeft gelijk dat staatseigendom en sturing vanuit de partij institutionele capaciteiten scheppen die wezenlijk verschillen van liberale markteconomiën. De staatskapitalistische positie heeft daarentegen gelijk dat uitbuiting voortduurt en dat marktverhoudingen structurele druk uitoefenen, ongeacht politieke bedoelingen. Maar de kracht van beide posities is tegelijkertijd ook hun beperking: door zich te richten op één kenmerk van SME– eigendom en intentie enerzijds, uitbuiting en markten anderzijds – verwarren beide kampen een gedeeltelijke waarheid met het volledige beeld.

De kampistische positie, geassocieerd met Dengistische en bredere anti-imperialistische stromingen aan de linkerzijde, reproduceert in wezen de zelfomschrijving van de CPC in marxistische taal. Omdat de partijstaat strategische sectoren bezit, het industriebeleid stuurt en socialistische doelen verkondigt, is de SME socialistisch.[12] Het argument heeft de verdienste dat het de socialistische kwestie serieus neemt in plaats van deze af te wimpelen, maar deze ernst wordt verkregen ten koste van kritische afstand. Zoals we in sectie II hebben gezien, bieden zelfs de meest verfijnde interne analyses een normatieve in plaats van een structurele beschrijving van het socialistische karakter. De kampistische positie bereikt aan de bredere linkerzijde doorgaans niet eens dit niveau van verfijning; zij neigt er eerder toe het socialistische karakter af te leiden uit geopolitieke oriëntatie en een vermeende anti-imperialistische (anti-Amerikaanse) houding in plaats van uit een analyse van sociale verhoudingen.[13] Dit leidt tot een politiek van solidariteit, een politiek zonder analyse – nuttig om weerstand te bieden aan de ideologische aanvallen van het westerse imperialisme tegen China, maar niet in staat om rekening te houden met de werkelijke tegenstrijdigheden die het SME genereert, ook voor Chinese arbeiders.

De staatskapitalistische positie maakt de tegenovergestelde fout. Door het kapitalisme af te leiden uit de aanwezigheid van loonarbeid, marktconcurrentie en de extractie van meerwaarde – welke allemaal in China aanwezig zijn – ontkracht zij het socialistische vraagstuk volledig. China is simpelweg kapitalistisch, de CPC is een factie van de heersende klasse en SME is een ideologische dekmantel. Deze positie heeft als voordeel dat ze uitbuiting serieus neemt en de mystificaties van de officiële Chinese politieke economie afwijst. Maar ze begaat, in omgekeerde richting, wat Ollman identificeert als de fundamentele fout van het marktsocialistische denken: in plaats van kapitaal te identificeren met de huidige belichaming ervan in privébezit, identificeert ze kapitaal met marktverhoudingen als zodanig, zonder te begrijpen dat kapitaal als productieverhouding op verschillende manieren samengesteld kan worden – en dat de specifieke institutionele samenstelling ervan enorm van belang is.[14] De Chinese partijstaat is niet hetzelfde als de Canadese of Amerikaanse staat; door ze als functioneel gelijkwaardig te beschouwen omdat ze alle drie over loonarbeid en marktuitwisseling heersen, wordt in veel opzichten analytische precisie opgeofferd voor theoretische samenhang. De staatskapitalistische positie, net als de kampistische positie, heeft geen theorie over de staat, maar een theorie over het kapitalisme waar de staat vervolgens in wordt gezet.

Een derde positie, minder gebruikelijk op links maar invloedrijk in de academische politieke economie, is de ontwikkelingsgerichte benadering. Wade, Medeiros en Majerowicz, Dent en anderen in de traditie van de ontwikkelingsstaat identificeren terecht iets wat beide kampen over het hoofd zien: de relatie van de Chinese staat tot de markten is niet puur ideologisch, maar eerder institutioneel.[15] De partijstaat beschikt over specifieke organisatorische capaciteiten – het bestuur van staatsbedrijven, ontwikkelingsfinanciering die is afgeschermd van winstgevendheidseisen, vijfjarenplanning, sectorale coördinatie – die tot duidelijk andere resultaten leiden dan liberale marktstaten.[16] Medeiros en Majerowicz hebben gelijk dat de relatieve autonomie van de partijstaat ten opzichte van zijn binnenlands kapitaal China in staat stelde neoliberale druk te weerstaan ​​op manieren die Zuid-Korea of ​​Taiwan niet konden.[17] Maar de ontwikkelingsgerichte benadering negeert de klasseninhoud van deze institutionele capaciteiten volledig. China wordt de meest recente en succesvolle ontwikkelingsstaat; met andere woorden, China is voor deze wetenschappers simpelweg Japan of Zuid-Korea geworden met een betere politieke afscherming en een grotere binnenlandse markt. De socialistische vraag verdwijnt niet omdat er een antwoord op is, maar omdat de vraag nooit gesteld wordt. Wade’s kader voor ‘het besturen van de markt’ is bijvoorbeeld in wezen liberaal institutionalisme; hier is de staat een technocratische agent die institutionele capaciteiten inzet om de marktresultaten te beheren, en of die capaciteiten socialistische of kapitalistische doelen dienen, is een kwestie van politieke keuze in plaats van structurele bepaling.[18] Dit mist twee dingen. Ten eerste negeert het de klasseninhoud van ontwikkeling: accumulatie voor wie, onder welke voorwaarden, en wie draagt ​​de kosten? Ten tweede behandelt het de capaciteit van de staat als politiek neutraal: een variabele die onafhankelijk van de klassenverhoudingen die haar hebben voortgebracht en die zij reproduceert kan worden verhoogd of verlaagd.[19]

Wat alle drie de posities gemeen hebben – en dit is het cruciale punt – is een ontoereikende theorie over de staat en een ontoereikende theorie over de rol van markten als sociale verhoudingen. De kampistische en ontwikkelingsgerichte posities beschouwen de staat als een instrument, als machtig, als goed gestuurd en als in staat om socialistische of ontwikkelingsgerichte resultaten te produceren als deze correct wordt ingezet. De staatskapitalistische positie beschouwt de staat als een doorgeefluik voor de belangen van het kapitaal. Geen van hen vraagt ​​zich af wat de staat in marxistische termen is – dat wil zeggen, welke specifieke historische vorm hij aanneemt, welke structurele druk zijn eigen reproductie genereert en hoe die druk interacteert met de klassenkrachten die hem betwisten. En geen van hen houdt zich serieus bezig met wat markten produceren buiten de verdeling van goederen en diensten – de ideologische effecten, de structurele druk, de reproductie van kapitalistische sociale verhoudingen die volgens Ollman ongeacht de eigendomsvorm werken. Het zijn deze twee vragen – de staat en de markt als sociale verhoudingen – waar we ons nu op richten.

De markt als sociale verhouding

De bijdrage van Bertell Ollman aan het debat over marktsocialisme, gepubliceerd in het boek uit 1997 dat hij samen met Schweickart redigeerde, biedt de theoretische middelen om de impasse die in hoofdstuk III is geschetst te doorbreken. Ollman is geen marktsocialist – hij is een van de scherpste critici ervan binnen de marxistische traditie, en zijn kritiek gaat rechtstreeks in tegen zowel de positie die de SME bevestigt als de positie die het staatskapitalisme afwijst, hoewel geen van beide kampen dit volledig heeft begrepen.

Ollmans centrale argument is dat de markt niet simpelweg een verdelingsmechanisme is, maar een sociale relatie die haar eigen ideologische effecten voortbrengt. Door dagelijkse deelname aan kopen en verkopen verkrijgen mensen een kenmerkende manier waarop zij de wereld begrijpen. Deze manier van begrijpen is atomistisch, individualistisch, gericht op ruil in plaats van productie, en naturaliseert concurrentie en hebzucht als eigenschappen of componenten van de menselijke natuur. Dit is niet primair een kwestie van vals bewustzijn dat van bovenaf wordt opgelegd – het wordt geproduceerd door de daadwerkelijke ervaringen van mensen op de markt, die dagelijks vanaf de vroege kindertijd worden herhaald en versterkt door elke succesvolle koop- en verkooptransactie. ‘De mystificaties die met de markt worden geassocieerd,’ schrijft Ollman, ‘komen vooral voort uit de ervaringen van mensen met kopen en verkopen.’[20] De markt leert haar eigen lessen effectiever aan dan welk propaganda-apparaat dan ook, juist omdat die lessen door ervaring bevestigd lijken te worden wanneer we naar de winkels gaan of onze arbeidskracht verkopen.

De belangrijkste mystificatie die de markt teweegbrengt, is de mystificatie van de productie. Met andere woorden, de werking van het productieproces wordt verduisterd – de markt presenteert de ruil als een op zichzelf staande wereld; producten verschijnen in de schappen, hun oorsprong in het arbeidsproces is onzichtbaar, de klassenverhoudingen van de productie zijn verborgen achter de schijnbare gelijkheid van koper en verkoper. Dit is uiteindelijk structureel – het perspectief van de ruil verhindert ons systematisch te zien wat er in de productie gebeurt, en daarmee uitbuiting, vervreemding en klassenverschillen. Marx noemde de productie de ‘[1] verborgen schuilplaats’ van het kapitalisme juist omdat de marktideologie de deur sluit tussen de ruil en de sociale verhoudingen die deze mogelijk maken.[21] Zonder inzicht in de productie kan uitbuiting zich alleen voordoen als individuele onrechtvaardigheid in plaats van een systematische klassenverhouding; vervreemding wordt een vaag persoonlijk gevoel in plaats van de structurele scheiding van arbeiders van hun productieve activiteit, de producten ervan en hun medewerkers; en de klasse zelf verdwijnt, vervangen door individuele consumenten die vrije keuzes maken op een markt die voor iedereen lijkt te werken.

De politieke gevolgen zijn ernstig. Als klasse onzichtbaar is, of zelfs onzichtbaar gemaakt wordt, zijn de klassenbelangen onzichtbaar, en daarmee ook het politieke subject van de socialistische transformatie: het proletariaat. Ollman is meedogenloos: ‘marktmystifcatie dient als het belangrijkste ideologische verdedigingsmechanisme van de kapitalistische maatschappij.’[22] Dit betekent dat de kapitalistische klasse volgens Ollman niet primair regeert door middel van leugens of verdraaiingen die opzettelijk worden verspreid door ideologen van de heersende klasse, maar door de alledaagse, onopvallende ervaring van kopen en verkopen die iedereen in een marktmaatschappij ondergaat.

Deze analyse heeft directe gevolgen voor de SME. De Chinese marxistische economen, zoals we in hoofdstuk II hebben gezien, duiden het socialistische karakter van de SME in de context van de dominantie van publiek eigendom, de sturing door de partij en normatieve doelstellingen. Wat ze echter niet behandelen, zijn de ideologische effecten van marktparticipatie op Chinese arbeiders en burgers. Als Ollman gelijk heeft – en er is geen reden om aan te nemen dat marktmystifcatie in China anders werkt dan elders – dan genereert de dagelijkse reproductie van marktmystificatie in de SME structurele druk op het bewustzijn van mensen, ongeacht de intentie van de CPC of haar officiële ideologie. De term ‘socialistisch’ in de SME-theorie benoemt een politiek project en een reeks institutionele beperkingen, maar kan niet zomaar voorbijgaan aan wat mensen leren door hun ervaringen als kopers en verkopers van goederen en arbeidskracht.

Nog schadelijker voor de positie die de SME bevestigt is Ollmans structurele argument over kapitaal. De fundamentele fout van het marktsocialistische denken, zo betoogt hij, is ‘kapitaal te identificeren met kapitalisten, de huidige belichaming van kapitaal, en niet te zien dat kapitaal, als productieverhouding, ook belichaamd kan worden in de staat of zelfs in arbeiderscoöperaties.’[23] Kapitaal is zelfvergrotende waarde – rijkdom die niet wordt ingezet om behoeften te bevredigen, maar om meer rijkdom te produceren.[24] Wat doorslaggevend is, is niet wie het bezit, maar hoe het functioneert, schrijft Ollman: ‘Eigendom kan worden overgedragen aan de staat of aan arbeiderscoöperaties, maar als de markt in wezen intact blijft, zullen ook de meeste problemen die met het kapitalisme samenhangen, blijven bestaan.’[25] Dit is het structurele argument dat Liu Guoguangs normatieve analyse niet kan beantwoorden, omdat de relatieve dominantie van publiek eigendom in China kapitaal als relatie niet opheft als de dwingende eisen van de markt blijven gelden – als ondernemingen moeten concurreren, overschotten moeten genereren, moeten reageren op prijssignalen en arbeid moeten disciplineren ten dienste van accumulatie. Met andere woorden, de toevoeging ‘socialistisch’ kan het theoretische werk van het afschaffen van kapitaal als relatie niet volbrengen door het eigendom simpelweg over te dragen aan een socialistische staat.

Niettemin is Ollmans oordeel over China kortaf: het vertegenwoordigt ‘een dictatoriale vorm van barbaars kapitalisme, met socialistische versieringen.’[26] Hier bereikt zijn analyse, ondanks al haar kracht, haar grens. Het kader van marktmystificatie is verwoestend als kritiek op de ideologische zelfpresentatie van de SME, en het argument van kapitaal als relatie doorprikt terecht de sluier van wat men fetisjisme van eigendomsvormen zou kunnen noemen. Maar Ollmans conclusie is te snel, juist omdat hij geen theorie over de staat heeft. Zonder een dergelijke theorie kan de economische sturing door de CPC slechts verschijnen als een oppervlakkige laag bovenop fundamenteel kapitalistische sociale verhoudingen – de ‘socialistische versieringen’ bovenop barbaars kapitalisme. Maar dit verklaart niet de werkelijke institutionele verschillen tussen de Chinese partijstaat en liberale marktstaten, de daadwerkelijke variatie in uitkomsten die ontwikkelingsacademici als Medeiros en Majerowicz documenteren, of de structurele beperkingen die de partijstaat oplegt aan marktverhoudingen die een puur marktgedreven accumulatieregime niet zou hebben. Ollman weet wat markten doen, maar niet wat staten zijn.[27] Het is dit gat dat marxistische staatstheorie moet opvullen.

Naar een marxistische staatstheorie van de SME

Het argument heeft tot nu toe een dubbele beperking aangetoond. De traditie van het bevestigen van de SME biedt een normatieve, maar geen structurele beschrijving van de staat; ze kan niet verklaren welke structurele druk marktverhoudingen uitoefenen op de Chinese partijstaat, ongeacht de intentie van de CPC. Ollman biedt de structurele beschrijving van markten die de bevestigende traditie mist, maar zonder een theorie van de staat vervalt zijn oordeel over China in een afwijzing die geen rekening houdt met reële institutionele variatie. Wat nodig is, is een marxistische staatstheorie die beide inzichten kan verenigen – een theorie die serieus rekening houdt met zowel de rol van markten als sociale verhoudingen, als met de beperkingen en mogelijkheden die specifieke staatsvormen met zich meebrengen.

De basis voor een dergelijke theorie ligt in een onderscheid tussen staatsvorm en staatsfunctie dat ingaat tegen zowel instrumentalistische als structuralistische benaderingen.[28] Tegenover het instrumentalisme, dat de staat reduceert tot een instrument van dominante klassenfracties, en tegen het structuralisme, dat de staat beschouwt als een automatisch functionerend mechanisme van kapitalistische reproductie, stelt dit onderscheid dat de kapitalistische staat het best begrepen kan worden door de dialectische relatie tussen beide. Staatsvorm, de institutionele configuratie waarmee de staatsmacht georganiseerd is, stelt parameters vast voor wat institutioneel mogelijk is zonder de staatshandelingen mechanistisch (eenzijdig) te bepalen. De functie van de staat (wat staten daadwerkelijk doen in reactie op accumulatie-eisen, klassendruk en ecologische beperkingen) kan niet alleen worden afgelezen uit de staatsvorm. Met andere woorden, de relatie tussen vorm en functie is niet-reductionistisch; ze moet onderzocht worden in plaats van aangenomen.

Twee kenmerken van dit raamwerk zijn essentieel voor het huidige betoog. Ten eerste is de staat geen neutraal instrument, maar een specifieke historische configuratie die intern verbonden is met, of preciezer gezegd, gerelateerd is aan, kapitaal als klassenverhouding. De fiscale afhankelijkheid van de kapitalistische staat van accumulatie, de juridische structuur van burger-onderdanen, de scheiding van politieke autoriteit en economische verhoudingen, enzovoort, zijn geen toevallige kenmerken die hervormd zouden kunnen worden zonder dat de staat eronder lijdt. Ze zijn constitutief voor wat de kapitalistische staat is. Met andere woorden, de kapitalistische staat moet de algemene productie- en ruilvoorwaarden scheppen; hij is structureel gedwongen om te handelen op een manier die de accumulatievoorwaarden reproduceert, zelfs wanneer individuele staatsactoren andere bedoelingen hebben.[29]

Ten tweede bestaat er een cruciaal onderscheid dat direct van invloed is op de SME: de relatie tussen staat en markt – hoe staten interageren met marktmechanismen door middel van planning, prijsvorming, allocatie en distributie – is analytisch verschillend van de relatie tussen staat en kapitaal – hoe staten zich verhouden tot kapitaal als een klassenverhouding die surplusextractie, eigendomsstructuren en accumulatie-eisen omvat. Dit onderscheid wordt in zowel de ontwikkelingsgerichte als de staatskapitalistische literatuur stelselmatig door elkaar gehaald. Ontwikkelingsdenkers zoals Wade analyseren de relatie tussen staat en markt – hoe de staat de markt reguleert – zonder de relatie tussen staat en kapitaal te analyseren – of en hoe de reproductie van de staat zelf verweven is met kapitaalaccumulatie. De staatskapitalistische positie maakt de tegenovergestelde beweging door kapitaalaccumulatie te identificeren als het bepalende sociale kenmerk zonder de specifieke vorm te analyseren waarin de relatie tussen staat en markt is georganiseerd. We moeten erop aandringen dat beide aspecten met elkaar in samenhang moeten worden beschouwd.

De strategisch-relationele benadering van Bob Jessop vult dit aan door aan te tonen dat staatsinstellingen, in plaats van neutrale arena’s, gestructureerde terreinen zijn die bepaalde actoren, belangen en strategieën boven andere bevoordelen.[30] Strategische selectiviteit is niet het product van een samenzwering of een weloverwogen plan; ze is ingebouwd in de institutionele vorm van de staat en produceert tendensen in het staatsoptreden die kunnen worden betwist en gemodificeerd door middel van klassenstrijd. De kapitalistische staat voert dus niet simpelweg de belangen van de kapitalistische klasse uit; het is een condensatie van klassenkrachten in strijd, wat betekent dat zijn handelen altijd het resultaat is van strijd binnen een structureel beperkt kader.[31] Toegepast op de SME levert dit raamwerk een analyse op die preciezer is dan elk van de posities die in sectie III zijn onderzocht. De fiscale inkomsten van de Chinese partijstaat zijn in belangrijke mate afhankelijk van de winstgevendheid van bedrijven en de economische groei; de industriële concurrentiekracht is afhankelijk van de arbeidsproductiviteit; de integratie in het mondiale kapitalisme onderwerpt het aan accumulatie-eisen die werken ongeacht de intentie van de partij. Dit wil zeggen dat het structurele kenmerken zijn van een staat waarvan het voortbestaan verweven is geraakt met, en ingebed is in, marktgerichte sociale verhoudingen gedurende vier decennia van hervormingen. In die zin heeft Ollman gelijk als hij stelt dat staatseigendom het kapitaal als relatie niet opheft als de markteisen blijven gelden, en dat de marktverhoudingen van de SME ideologische en structurele druk genereren die de ‘socialistische’ benaming niet zomaar kan negeren.

Maar de specifieke vorm van de Chinese partijstaat introduceert ook werkelijke beperkingen op die marktverhoudingen die een liberale marktstaat niet kent en institutioneel niet kan opleggen. Het onderscheid tussen staats-marktverhoudingen en staats-kapitaalverhoudingen is hier empirisch zichtbaar op een manier die in liberale markteconomieën niet het geval is: de Chinese partijstaat beheerst tegelijkertijd marktprocessen en bezit aanzienlijk kapitaal, waardoor een scheiding die liberale marktstaten institutioneel handhaven verdwijnt. Het bestuur van staatsbedrijven isoleert strategische sectoren van de eisen van winstgevendheid op korte termijn; ontwikkelingsfinanciering kan worden ingezet zonder de fiscale afweging tussen het subsidiëren van kapitaal en het handhaven van sociale uitgaven waarmee liberale marktstaten te maken hebben; de partijsturing van het industriebeleid introduceert een politieke logica in de accumulatie die niet te herleiden is tot markteisen – hoewel ze er ook niet immuun voor is.[32] De staat wordt aldus gevormd door twee soorten machtsevenwichten tussen kapitaalfracties, en tussen het volk en het bedrijfsleven en de staat die hen bijstaat. In het Chinese geval geeft de specifieke institutionele vorm van de partijstaat vorm aan beide evenwichten op manieren die structureel verschillen van liberale marktstaten – niet noodzakelijkerwijs in aard, maar in de specifieke samenstelling van beperkingen en mogelijkheden die daaruit voortvloeien.

De SME is daarom noch een neutraal instrument in socialistische handen, noch simpelweg een kapitalistische restauratie. Het is een specifieke, tegenstrijdige configuratie waarin de socialistische staatsvorm en de kapitalistische marktverhoudingen structureel op gespannen voet staan. Dit maakt het mogelijk om te stellen dat de toevoeging ‘socialistisch’ in Liu Guoguangs analyse niet louter decoratief is, omdat het een reële institutionele beperking van de marktverhoudingen benoemt, een daadwerkelijke concentratie van planningscapaciteit en politieke afscherming van binnenlands kapitaal die tot andere uitkomsten leidt dan een liberale markteconomie. Maar Ollmans structurele argument over kapitaal als relatie is eveneens reëel – de marktverhoudingen die in de SME worden geïntroduceerd, genereren hun eigen druk, hun eigen ideologische effecten, hun eigen accumulatielogica waarmee de partijstaat rekening moet houden en die zij niet zomaar naar behoeven kan sturen.

Dit brengt ons bij de NEP-vraag die Poulins vergelijkende analyse opwerpt.[33] Is de SME een overgangsvorm in de marxistische zin die Lenin bedoelde – een strategische terugtrekking die de socialistische politieke staatsvorm in stand houdt, terwijl marktverhoudingen worden ingezet onder toezicht van de arbeidersstaat, met de verwachting dat die verhoudingen geleidelijk zullen worden ingeperkt en uiteindelijk zullen worden vervangen? Of is het gestabiliseerd tot iets anders, bijvoorbeeld een aparte sociaaleconomische formatie, zoals Jabbour et al. betogen, waarvan het institutionele karakter niet langer een overgang is, maar gevestigd is?[34] Dit kader kan deze vraag niet van tevoren beantwoorden, en dat hoeft ook niet. Wat het wel kan doen, is specificeren wat er nodig is om de vraag te beantwoorden; namelijk een analyse van de vraag of de structurele druk die marktverhoudingen in de Chinese partijstaat hebben geïntroduceerd, geleidelijk wordt ingeperkt door de groeiende socialistische institutionele capaciteiten, of dat de logica van kapitaalaccumulatie de eigen reproductie van de partijstaat geleidelijk overneemt.[35] Dit is een empirische en theoretische vraag, die niet kan worden beantwoord door eigendomsvormen te controleren of geopolitieke loyaliteiten te verklaren. Het is echter precies de vraag die een marxistische staatstheorie van de SME bij uitstek kan onderzoeken – en die noch het kampisme, noch het staatskapitalisme, noch het ontwikkelingsdenken op de juiste wijze kan formuleren.

Implicaties voor socialistische politiek

Het argument dat in dit essay wordt ontwikkeld, is niet, en kan niet, louter theoretisch zijn. Als de SME een specifieke, tegenstrijdige configuratie is waarin de socialistische staatsvorm en de kapitalistische marktverhoudingen structureel op gespannen voet staan, in plaats van een socialistisch succes of een kapitalistische restauratie, dan verschillen de daaruit voortvloeiende politieke conclusies wezenlijk van die van de dominante linkse posities – en deze verschillen zijn van belang voor hoe socialisten vandaag de dag denken over China, over markten en over de mogelijkheden en beperkingen van een door de staat geleide transitie.

De eerste implicatie betreft de politieke relatie tussen links en China. De kampistische positie leidt tot een politiek van onkritische solidariteit. Hoe? Volgens het argument is kritiek op de tegenstrijdigheden van het SME, omdat China socialistisch is, ofwel naïef ofwel objectief anticommunistisch.[36] De staatskapitalistische positie leidt tot een de tegenovergestelde politiek van afwijzing. Hier betekent solidariteit met Chinese arbeiders, omdat China kapitalistisch is, verzet tegen de CPC in plaats van zich serieus bezig te houden met wat de SME produceert en voor wie.[37] Beide posities zijn politiek ontwapenend. De kampistische positie houdt geen rekening met de werkelijke kosten die de tegenstrijdigheden van het SME met zich meebrengen – voor Chinese arbeiders die onderworpen zijn aan marktdiscipline; voor de ideologische effecten van de marktmystificatie die Ollman identificeert; voor de structurele druk die accumulatie-eisen introduceren in het partijstaatbestuur, enzovoort. De staatskapitalistische positie houdt geen rekening met de zeer reële institutionele verschillen tussen de Chinese partijstaat en liberale marktstaten, noch kan zij verklaren waarom die verschillen van belang zijn voor de socialistische strategie wereldwijd.

Een marxistische staatstheorie van de SME maakt een andere politiek mogelijk. Het betekent kritische solidariteit zonder illusies en kritiek zonder capitulatie aan anticommunistische ideologie. Dit betekent serieus nemen wat de specifieke institutionele vorm van de Chinese partijstaat mogelijk maakt (de planningscapaciteiten, de bescherming van strategische sectoren tegen winst op korte termijn, de relatieve autonomie ten opzichte van binnenlands kapitaal) en wat de structurele druk van marktgerichte sociale verhoudingen oplegt, ook aan arbeiders. Het betekent weerstand bieden aan de verleiding om geopolitieke afstemming te interpreteren als een maatstaf voor socialistisch karakter, en tegelijkertijd weerstand bieden aan de verleiding om de aanwezigheid van uitbuiting en marktconcurrentie te interpreteren als een antwoord op de vraag naar het klassenkarakter van China.

De tweede implicatie betreft markten onder socialistische omstandigheden in bredere zin. Ollmans analyse toont aan dat markten geen neutrale instrumenten zijn die socialistische staten zonder gevolgen kunnen inzetten. De marktmystificatiedie hij beschrijft – de verhulling van de productie; de ​​naturalisering van concurrentie en hebzucht; de atomisering van arbeiders als kopers en verkopers – is in de dagelijkse praktijk voelbaar, ongeacht wie de betrokken bedrijven bezit. Dit is een structureel argument met structurele implicaties, aangezien elk socialistisch project dat significante marktverhoudingen behoudt, serieus moet nadenken over wat die verhoudingen voortbrengen en niet zomaar mag aannemen dat socialistisch eigendom of politieke sturing ze kan overstemmen. De Sovjet-NEP, het Joegoslavische zelfbestuursexperiment en de SME; ze vertegenwoordigen allemaal historisch specifieke pogingen om deze tegenstrijdigheid te beheersen, en ze hebben allemaal hun eigen specifieke spanningen tussen socialistische politieke vorm en marktgerichte sociale verhoudingen gegenereerd en blijven die genereren. De les is niet dat markten nooit onder socialistische omstandigheden kunnen worden gebruikt, aangezien Lenins eigen analyse van de NEP als een strategische noodzaak onder specifieke historische omstandigheden leerzaam blijft. We moeten eerder begrijpen dat het gebruik van markten onder socialistische omstandigheden een heldere analyse vereist van de structurele druk die ze met zich meebrengen, en actieve institutionele mechanismen vergen om die druk te beperken, in plaats van aan te nemen dat politieke wil voldoende is.[38]

Conclusie

Dit essay betoogt dat de dominante linkse posities over de socialistische markteconomie in China – de kampistische bevestiging en de staatskapitalistische afwijzing – een gemeenschappelijke theoretische zwakte delen: een ontoereikende beschrijving van de staat en van de rol van markten als sociale verhoudingen. Door gebruik te maken van de marxistische staatstheorie en Ollmans structurele kritiek op de verhulling van de markt, is geprobeerd een kader te ontwikkelen dat de afzonderlijke inzichten van elke positie kan samenbrengen: dat de specifieke institutionele vorm van de Chinese partijstaat reële capaciteiten genereert die verschillen van die van liberale marktstaten, en dat de marktverhoudingen die in de SME worden geïntroduceerd structurele druk uitoefenen die socialistisch eigendom en politieke sturing niet zomaar kunnen opheffen.

De SME is noch een neutraal instrument in socialistische handen, noch simpelweg kapitalisme met Chinese kenmerken. Het is een specifieke, tegenstrijdige configuratie waarin de socialistische staatsvorm en de kapitalistische marktverhoudingen structureel met elkaar in spanning staan ​​– een spanning die niet kan worden opgelost door eigendomsstructuren te controleren, geopolitieke loyaliteiten te verklaren of de socialistische intentie van de partij te benadrukken. Marxistische staatstheorie biedt de theoretische instrumenten om deze spanning rigoureus te analyseren: door te vragen waarvan de reproductie van de Chinese staat afhangt, welke structurele druk marktverhoudingen uitoefenen op het partijstaatbestuur en welke specifieke beperkingen de institutionele vorm van de partijstaat oplegt aan die druk.

De vraag die dit kader oproept – of de SME een overgangsvorm is waarin socialistische institutionele capaciteiten de marktverhoudingen steeds meer beperken, of dat accumulatie-eisen de reproductie van de partijstaat steeds meer overschaduwen – kan niet van tevoren worden beantwoord. Het is een empirische en theoretische kwestie, geen vaststaand gegeven. Maar het is wel de juiste vraag, en het correct formuleren ervan is op zichzelf al een politieke prestatie. Een links dat de vraag niet rigoureus kan stellen, kan hem ook niet beantwoorden – en een links dat hem niet kan beantwoorden, is slecht toegerust voor de politieke uitdagingen die de tegenstrijdigheden van de SME zullen blijven genereren, zowel binnen als buiten de socialistische politiek.

Ollman eindigt zijn kritiek op het marktsocialisme met een waarschuwing: marktsocialisten hebben de markt aangezien voor een blikopener, terwijl hij in werkelijkheid meer functioneert als een vleesmolen.[39] Deze waarschuwing geldt evenzeer voor elk socialistisch project dat marktverhoudingen als neutrale instrumenten beschouwt die naar believen kunnen worden ingezet. De historische prestatie van de SME is reëel; dat geldt ook voor de structurele spanningen. Beide serieus nemen – zonder de troost van kliekvorming of de valse duidelijkheid van staatskapitalistische afwijzing – is het minimum dat een marxistische analyse vereist, en het uitgangspunt voor een socialistische politiek die adequaat is voor het huidige moment.


[1] De term ‘kampist’ wordt hier beschrijvend gebruikt, niet als scheldwoord. Met deze term verwijs ik naar een tendens binnen links die haar politieke analyse primair organiseert rond geopolitieke blokken; in dit geval wordt China’s verzet tegen het Amerikaanse imperialisme beschouwd als een voldoende basis voor politieke solidariteit en identificatie als socialist, in plaats van als één van de vele overwegingen die moeten worden meegewogen bij een onafhankelijke analyse van sociale verhoudingen.

[2] Sommige lezers zullen hier wellicht een echo van Block of Skocpol herkennen. Deze auteur onderschrijft geen van beide posities; de formulering betekent simpelweg dat de structurele logica van de staat wordt bepaald door de klassenverhoudingen van de productiewijze waarin deze is ingebed, en niet door de intenties van degenen die de staat uitoefenen.

[3] Zie Brødsgaard, Kjeld Erik, and Koen Rutten. 2017. ‘The Emergence and Development of the Socialist Market Economy (1992–2003).’ In From Accelerated Accumulation to Socialist Market Economy in China. Brill. https://doi.org/10.1163/9789004330092_005.

[4] Zie Yue, Jianyong. 2018. ‘Chinese Reform and Development in the 1980s.’ In China’s Rise in the Age of Globalization: Myth or Reality?, redactie door Jianyong Yue. Springer International Publishing. https://doi.org/10.1007/978-3-319-63997-0_3.

[5] Voor een rijke verzameling recente marxistische perspectieven op het karakter van het Chinese socialistische project en de historische ontwikkeling ervan, zie het speciale nummer ‘Socialism and China: On the 75th Anniversary of the Chinese Revolution’, onder gastredactie van Zhun Xu, Zhongjin Li en Nana Liu, Science & Society 89, nr. 4 (oktober 2025).

[6] Zie Liu, Guoguang. 2021. On the Theory of Socialist Market Economy. Met Sun Weiwei. Paths International

[7] Zie Bardhan, Pranab K., en John E. Roemer. 1993. Market Socialism: The Current Debate. Oxford University Press; Schweickart, David. 1993. Against Capitalism. Cambridge University Press. Voor de marxistische kritiek van marktsocialisme, zie Ollman, Bertell. ‘Market Mystification in Capitalist and Market Socialist Societies.’ In Market Socialism: The Debate among Socialists, redactie door Bertell Ollman en David Schweickart. New York: Routledge, 1997

[8] Zie Jabbour, Elias, Alexis Dantas, en Carlos José Espíndola. 2022. ‘On The Chinese Socialist Market Economy And The ‘New Projectment Economy.’’ World Review of Political Economy 13 (4). https://doi.org/10.13169/worlrevipoliecon.13.4.0502.

[9] Over Enfu, zie Dagkas, Alexandros, en Roula Tsokalidou. 2025. ‘Socialist Market Economy: Experiences of Western Scientists from the Economic Thought of Professor Cheng Enfu during the Initial Steps of China within the World System of the Market.’ World Marxist Review 2 (2): 111−122-111−122. https://doi.org/10.62834/jkd9v881. ↩

[10] Zie Gu, Hailiang. 2021. ‘The Process and Logic of China’s Socialist Market Economy from Mechanism to System.’ International Critical Thought 11 (3): 341–56. https://doi.org/10.1080/21598282.2021.1947032. ↩

[11] Zie Hart-Landsberg, Martin, en Paul Burkett. 2005. China and Socialism: Market Reforms and Class Struggle. Monthly Review Press and Camfield, David. 2023. Red Flags: A Reckoning with Communism for the Future of the Left. Fernwood Publishing. ↩

[12] Zie Yingjie, Liu. 2025. ‘China’s Socialist Market Economy: A Great Invention.’ China Economist (Beijing, China) 20 (6): 2–34. https://doi.org/10.19602/j.chinaeconomist.2025.11.01. ↩

[13] Terwijl marxisme noodzakelijk anti-imperialistisch is, is anti-imperialisme niet noodzakelijk socialistisch of marxistisch.

[14] Bertell Ollman, “Market Mystification in Capitalist and Market Socialist Societies,” in Market Socialism: The Debate among Socialists, red. Bertell Ollman en David Schweickart (New York: Routledge, 1997), 95.

[15] Zie Wade, Robert. 2004. Governing the Market: Economic Theory and the Role of Government in East Asian Industrialization. Princeton University Press; Medeiros, Carlos Aguiar de, en Esther Majerowicz. 2022. “Developmentalism With Chinese Characteristics.” International Journal of Political Economy 51 (3): 208–28. https://doi.org/10.1080/08911916.2022.2146388.; Dent, Christopher M. 2018. “East Asia’s New Developmentalism: State Capacity, Climate Change and Low-Carbon Development.” Third World Quarterly 39 (6): 1191–210. https://doi.org/10.1080/01436597.2017.1388740.

[16] Voor een goed overzicht, zie Beck, Kasper Ingeman, en Kjeld Erik Brødsgaard. 2022. “Corporate Governance with Chinese Characteristics: Party Organization in State-Owned Enterprises.” The China Quarterly 250 (juni): 486–508. https://doi.org/10.1017/S0305741021001351.

[17] Medeiros, Carlos Aguiar de, en Esther Majerowicz. 2022. “Developmentalism With Chinese Characteristics.” International Journal of Political Economy 51 (3): 208–28. https://doi.org/10.1080/08911916.2022.2146388.

[18] Het is het waard op te merken dat Wade in het bijzonder nooit de vraag van het socialisme stelt. Zie Wade, Robert. 2004. Governing the Market: Economic Theory and the Role of Government in East Asian Industrialization. Princeton University Press.

[19] Wat de ‘capaciteit van de staat’ betekent wordt nooit behandeld.

[20] Bertell Ollman, “Market Mystification in Capitalist and Market Socialist Societies,” in Market Socialism: The Debate among Socialists, red. Bertell Ollman enDavid Schweickart (New York: Routledge, 1997), 82.

[21] Karl Marx, Capital: A Critique of Political Economy, vol. 1, vertaling Ben Fowkes (London: Penguin, 1976), 279.

[22] Bertell Ollman, “Market Mystification in Capitalist and Market Socialist Societies,” in Market Socialism: The Debate among Socialists, red. Bertell Ollman en David Schweickart (New York: Routledge, 1997), 107.

[23] Ibid., 95

[24] De termen worden hier los gebruikt op basis van Ollman’s eigen formulering. Strict genomen is kapitaal zelf-uitbreidende waarde – het G-W-G’-circuit waarin waarde bevorderd wordt om meerwaarde af te romen. ‘Rijkdom’ in de alledaagse zin is niet gelijk aan Marx’ technische betekenis, welke specifiek refereert aan sociaal noodzakelijke abstracte arbeidstijd. De samensmelting is van Ollman, niet van Marx.

[25] Bertell Ollman, “Market Mystification in Capitalist and Market Socialist Societies,” in Market Socialism: The Debate among Socialists, red. Bertell Ollman enDavid Schweickart (New York: Routledge, 1997), 95.

[26] Bertell Ollman, “Market Mystification in Capitalist and Market Socialist Societies,” in Market Socialism: The Debate among Socialists, red. Bertell Ollman enDavid Schweickart (New York: Routledge, 1997), 102.

[27] Terwijl Ollman vragen omtrent de staat elders behandelt – voornamelijk in het hoofdstuk over de staat in Dance of the Dialectic (2003) – steunt zijn analyse van China en het marktsocialisme voornamelijk op het argument dat kapitaal een relatie is en ontwikkelt hij geen structurele analyse van hoe specifieke staatsvormen de druk die marktverhoudingen met zich meebrengen, bemiddelen. Het is in deze beperktere zin dat de bewering wordt gedaan

[28] Deze distinctie bouwt voort op de Open Marxistische staatstheorie van Simon Clarke; zie Clarke, Simon, red. The State Debate (London: Palgrave Macmillan, 1991), en Clarke, Simon. “The State, Class Struggle, and the Reproduction of Capital.” Kapitalistate 10/11 (1983): 113–130. Voor een recente systematische ontwikkeling van dit raamwerk, zie Raju J. Das, Marx’s Capital, Capitalism and Limits to the State: Theoretical Considerations (London: Routledge, 2022).

[29] Raju J. Das, Marx’s Capital, Capitalism and Limits to the State: Theoretical Considerations (London: Routledge, 2022)

[30] Bob Jessop, The State: Past, Present, Future (Cambridge: Polity, 2016). Zie ook Jessop, Bob. 2017. “Nicos Poulantzas on political economy, political ecology, and democratic socialism.” Journal of Political Ecology 24 (1). https://doi.org/10.2458/v24i1.20794.

[31] Jessop’s werk bouwt voort op dat van Poulantzas.

[32] Zie Brodsgaard, Kjeld Erik, and Koen Rutten. 2017. “From Accelerated Accumulation to Socialist Market Economy in China: Economic Discourse and Development from 1953 to the Present.” In From Accelerated Accumulation to Socialist Market Economy in China. Brill. https://brill.com/display/title/33433.

[33] Poulin, Maxence. 2021. “Comparative Analysis of the Economic Structure of the Socialist Market Economy of China and the New Economy Policy.” International Critical Thought 11 (4): 519–34. https://doi.org/10.1080/21598282.2021.2007502.

[34] Jabbour, Elias, Alexis Dantas, and Carlos José Espíndola. 2022. “On The Chinese Socialist Market Economy And The ‘New Projectment Economy.’” World Review of Political Economy 13 (4). https://doi.org/10.13169/worlrevipoliecon.13.4.0502.

[35] Deze formulering laat opzettelijk een vraag open die door de dominante posities die in sectie III worden besproken bij voorbaat wordt uitgesloten.

[36] Ik zou Rockhills argument in Who Paid the Pipers of Western Marxism? (New York: Monthly Review Press, 2025) willen aanhalen, dat de neiging van kampbewoners illustreert om socialistische geloofwaardigheid te ontlenen aan een anti-westerse positie in plaats van aan een onafhankelijke analyse van sociale verhoudingen.

[37] Natuurlijk is dit ook deels de Sinofobie die in veel linkse discourse te zien is.

[38] Lenin, V. I. n.d. “The New Economic Policy And The Tasks Of The Political Education Departments.” Geraadpleegd 14 dec, 2025. https://www.marxists.org/archive/lenin/works/1921/oct/17.htm; cf. Poulin, Maxence. 2021. “Comparative Analysis of the Economic Structure of the Socialist Market Economy of China and the New Economic Policy.” International Critical Thought 11 (4): 519–534.

[39] Bertell Ollman, “Market Mystification in Capitalist and Market Socialist Societies,” in Market Socialism: The Debate among Socialists, red. Bertell Ollman enDavid Schweickart (New York: Routledge, 1997), 125.