Foppe de Haan reageert in deze inzending op een opiniestuk van Pieter Sellies in NRC over de overstap van Donald Pols van milieudefensie naar Tata Steel. Volgens Foppe is de vraag niet alleen waarom Pols zijn keuze maakt, maar waarom organisaties leiders voortbrengen bij wie die keuze voorspelbaar is. Foppe is actief bij de RSP en de Nederlandse vereniging voor Veganisme en auteur van het Beyond Meritocracy blog project.
Pieter Sellies heeft gelijk dat de overstap van Donald Pols naar Tata Steel in een patroon past, en dat de belangen van megabedrijven niet die van loonafhankelijken en omwonenden zijn. Maar zijn diagnose stopt te vroeg. De overstap is het eindpunt, niet het begin. De vraag is niet alleen waarom Pols deze keuze maakt, maar waarom organisaties leiders voortbrengen bij wie die keuze voorspelbaar is.
Wie jarenlang als betaald directeur van een geprofessionaliseerd goed doel opereert, gaat steeds meer lijken op hun “gesprekspartners”. Het salaris, de netwerken, de status, het dagelijkse verkeer met bedrijfslobbyisten en beleidsmakers: het trekt allemaal richting de wereld van degenen aan de andere kant van de tafel. Jarenlang stakeholderdialoog voeren met Tata Steel traint je niet om Tata harder aan te pakken. Het stimuleert een focus op de gedeelde belangen en het vergeten van de tegengestelde. Als Pols zegt dat hij bij Tata de verduurzaming gaat versnellen, is dat waarschijnlijk geen cynisme. Wat volgt is dat de werkvorm het denkkader produceert dat de overstap mogelijk maakt.
Sellies weerlegt terecht de “verandering van binnenuit”-verdediging met voorbeelden. Maar empirische weerlegging nodigt uit tot “misschien lukt het de volgende keer wel.” Het lukt structureel niet. Institutionele rollen absorberen de capaciteit van wie erin stapt: wie als communicatiedirecteur en Chief Sustainability Officer bij Tata zit, opereert per definitie binnen de kaders van het bedrijfsbelang, ongeacht de overtuiging waarmee je binnenkomt. Het patroon beperkt zich bovendien niet tot de milieubeweging: Sellies noemt zelf de FNV-onderhandelaars die zonder schroom aan de andere kant van de cao-tafel gaan zitten. Dezelfde dynamiek, dezelfde oorzaak.
Het probleem in IJmuiden is niet dát er staal geproduceerd wordt, maar dat de vervuiling decennialang ongemoeid is gelaten. Kooksgasfabriek 2 lekt kankerverwekkende PAK’s sinds de opening in 1972. De provincie wist dat al in 1983; de ovendeuren hoefden pas in 2007 te worden vervangen. Het bedrijf wisselde drie keer van eigenaar. Geen van hen maakte er werk van, en politici en de staat weigerden – net als bij Chemours en vele andere bedrijven – consequent in te grijpen.
Sellies vraagt wat je zou denken als je in IJmuiden woont en kanker hebt. Goede vraag, maar het antwoord gaat verder dan teleurstelling in Pols. Dat de overheid niet wilde handhaven was al decennia een publiek geheim. De vraag is waarom werkers en omwonenden niet organiseerden rond de eis dat de fabriek veilig moest worden gemaakt. De vakbond stelde werkgelegenheid decennialang boven gezondheid en presenteerde pas zeer recent een groen staalplan. Dat is niet het falen van de mensen die Sellies opsomt, maar van de organisaties die hen hadden moeten vertegenwoordigen en die de middelen hebben om dat proces te faciliteren.
Het is geen toeval dat er de afgelopen jaren allerlei nieuwe milieu- en klimaatorganisaties ontstonden: Extinction Rebellion, Fridays for Future, lokale burgerinitiatieven rond de Hoogovens, die doen aan blokkades en bezettingen in plaats van ansichtkaart campagnes. Men voelde dat gevestigde organisaties voor noch samen met hen strijden voor verbetering, en bouwden zelf alternatieven op. Maar nieuwe bewegingen en organisaties lopen dezelfde risico’s. Naarmate ze groeien, komen betaald personeel, stichtingsstructuren en fondsenwerving om de hoek kijken, met de wens om in te zetten op ‘financiële zekerheid’ en bestendiging van de organisatie.
Die cyclus doorbreek je niet met betere leiders maar met betere organisaties. Organisaties gefinancierd door hun leden, niet door fondsen of bedrijfspartnerschappen. Milieudefensie is al een uitzondering door formeel een ledenorganisatie te zijn, maar dat was duidelijk niet genoeg om het verzetten van doelpalen dat gepaard gaat met professionalisering te voorkomen. Leden moeten de koers vaststellen en moeten de organisatie scherp houden, zodat het bestuur geen makelaarspositie kan opbouwen tussen financiers en achterban. Vakbonden hebben vertegenwoordigers nodig die zijn geworteld in bedrijf of sector en in de gemeenschap, zodat ze gemotiveerd zijn om samen de confrontatie aan te gaan, ook als dat een Tata geld kost. Scholing moet duidelijk zijn over belangenverschillen, zodat uitspraken als “we willen hetzelfde” worden herkend als gladde helling.
Sellies eindigt met de constatering dat de bestuurders van megabedrijven een klassenstrijd voeren tegen de rest van de samenleving. Klopt. Maar klassenstrijd voer je niet met organisaties waarin betaald personeel de richting bepaalt en met actievormen die vooral draaien om praten en PR-momentjes. Wie de macht van sociale bewegingen wil opbouwen (en Sellies heeft gelijk dat die macht nu te klein is om bedrijven als Tata te dwingen), moet niet alleen dergelijke overstappen veroordelen maar de organisatievormen bouwen die ze onmogelijk maken. Het probleem heet niet Donald Pols. Het heet professionalisering.