Zaterdag tussen 13:00 en 14:00 moest het gebeuren. Het kloppend hart van het Nederlandse openbaar vervoer, de sporen rond station Utrecht Centraal, zouden plat komen te liggen. De actie, georganiseerd door Extinction Rebellion, moest een uiting van solidariteit met de door Israël ontvoerde opvarenden van het Sumud-noodhulpkonvooi zijn, en van de Nederlandse regering een volledig economisch embargo van Israël afdwingen.
Het eerste dat je deze tropische zaterdagmiddag op het station merkt van de actie zijn de activisten die net voor de poortjes leuzen roepend op de grond zitten. Een zogenaamde sit-in, een ritueel dat sinds 2023 met enige regelmaat plaatsvindt. Na enkele edities met honderden aanwezigen en veel media-aandacht is de langzaam slinkende groep met rood-groen-zwarte Palestinavlaggen en zwart-wit geblokte keffiyehs inmiddels een vertrouwde aanblik geworden voor de Utrechtse treinreiziger.
Aangetrokken door de belofte van een spoorblokkade is er voor het eerst in maanden weer pers aanwezig om verslag te doen van deze demonstratie, maar de opkomst van activisten was er niet veel hoger van geworden. Ik schat een stuk of dertig, veertig activisten te zien.
Op de perrons tref je om de zoveel meter groepjes NS-medewerkers, politieagenten en jonge mannen in gele hesjes met het logo van een privaat beveiligingsbedrijf. Ze kijken scherp om zich heen, zoekend naar mogelijke spoorbezetters, maar de activisten laten op zich wachten. De tijd dodend door rondom het station te wandelen zie ik overal politievoertuigen en agenten te zien, sommigen met lange knuppels in de aanslag.
Na een half uurtje zo rond te lopen en geen tekens van een aanstaande bezetting te vinden, wil ik het voor gezien houden, maar onderweg terug naar de fietsenstalling lijkt de leus ‘Free Free Palestine’ ineens van dichterbij te komen. Niet meer uit de stationshal, maar vanaf de perrons. Ik snel me met de fiets aan de arm naar de Moreelsebrug, een voet- en fietspad over de sporen, en zie een groepje van misschien twintig mensen die de politie te snel af zijn geweest en het spoor op lopen met een banner: ‘Genocide spoort niet!’.
Ik vind een goed plekje aan de railing om het gebeuren te bekijken. Twee patrouillerende agenten hebben hetzelfde idee, en gaan even verderop staan. De activisten beneden lopen over de grijze stenen steeds verder van het station, tot hun banner voor passagiers op het station, en kijkers op de brug, vrijwel onleesbaar is geworden. Ze gaan bij een wissel zitten, misschien met het idee zo in een keer meerdere sporen te blokkeren. De groep is net groot genoeg om met hun lichamen 2 sporen te blokkeren, maar uit voorzorg laat de NS geen enkele trein meer rijden rond het station. Rode letters verschijnen op de informatieborden op de perrons beneden, en een handvol toeschouwers en persfotografen verzamelt zich op de brug.
De activisten houden maar een kwartiertje stand, voor de politie het spoor begint te ontruimen. Sommige actievoerders worden bij armen en benen gepakt en als een hangmat naar een parkeerterreintje gedragen, anderen worden bij hun polsen gegrepen, die zo worden gedraaid dat ze het uitschreeuwen van de pijn en niet anders kunnen dan meelopen.
Bij het horen van het gekerm beneden mompelt een toekijkende vrouw ‘moet dat nu zo?’, maar veel sympathie hebben voorbijgangers niet voor de activisten. Een mannelijke voorbijganger antwoordt de mompelende vrouw met ‘dan hadden ze daar maar niet moeten staan’, een enkele voorbijganger vraagt de agenten naast me wanneer ze inschatten dat de treinen weer gaan rijden, en een paar jongens in polo’s wensen de politie demonstratief succes met hun werk.
Een handvol jonge sympathiserende demonstranten, uitgedost met PvdD-tassen, Palestijnse vlaggen en keffiyehs heeft zich inmiddels bij de toekijkers op de brug gevoegd. In het Engels roepen ze de demonstranten beneden, die inmiddels door de politie in een halfopen fietsenschuurtje zijn gedreven, hun steun toe. ‘We’re proud of you! You are not alone!’.
De politieaanwezigheid op de brug is inmiddels ook uitgebreid, van de twee toekijkende agenten naar een stuk of twintig breedgeschouderde mannen, velen van hen met lange knuppels. Ze lijken wat richtingloos; een keer vormen ze lusteloos ogende linie en lijken ze de brug leeg te willen gaan vegen, soms maken er een of twee zich groot en gaan ze intimiderend vlak naast de jongeren staan, om even later de schaarse schaduw van de kleine boompjes op de brug weer op te zoeken. Ze debatteren wat onder elkaar of ze één van de jongeren die ze bijzonder heeft geïrriteerd met anti-politieleuzen moeten pakken, maar besluiten er tegen. De agenten grappen nog dat ze eigenlijk de hele groep sympathisanten op de bon zouden moeten slingeren omdat ze lopen op het fietspad, maar over het algemeen houden de jonge demonstranten en de agenten afstand van elkaar.
Na twintig minuten lijkt de politie beneden nog geen haast te maken met het afvoeren van de ‘rebellen’ in het fietsenschuurtje, en zijn de jonge activisten op de brug door de hitte en de verveling afgedropen, en met hen vrijwel alle agenten. Ook uw verslaggever hield het voor gezien, en ik stapte op de fiets terug naar huis, om dit verslag uit te gaan schrijven.
De vraag die toch bij me opkomt is waar deze middag goed voor was. Extinction Rebellion is in het stilleggen van het treinverkeer rond Utrecht geslaagd, maar of de ontvoerde opvarenden van het Sumud-flotilla zich hierdoor gesteund voelen kan ik niet inschatten. De kans dat de Nederlandse regering zich door deze actie gedwongen voelt Israël sancties op te leggen acht ik gering.
Ik vrees een gebrek aan resultaat niet zal leiden tot een heroverweging van de actievorm, maar tot herhaling. Herhalingen die steeds minder aandacht zullen krijgen, steeds minder actievoerders zullen trekken, en uiteindelijk verworden tot ritueel, net als de sit-ins, of de eerdere snelwegbezettingen. Ik voel met de actievoerders mee in hun drang om íéts, wat dan ook, te doen voor de Palestijnse zaak, maar bij een volgende spoorbezetting blijft uw verslaggever thuis.