Ontwrichting van de gas en olie-industrie in de VS

Beeld uit Mather’s Historical Oil Region Views of Western Pennsylvania, 1895

Na decennialange grondstofwinning in het hart van de Verenigde Staten heeft de gas- en olie-industrie een vernietigend spoor achtergelaten. Waar de vrijheid van de auto wordt aanbeden door de Amerikaan, is er een bijna pathologische afhankelijkheid van fossiele brandstoffen tegenover komen te staan. Deze conditie manifesteert zich niet alleen in angstklachten wanneer de benzineprijzen stijgen, maar kenmerkt zich ook door de greep die fossiel kapitaal heeft op de economie van lokalegemeenschappen.

In staten zoals Pennsylvania en North Dakota is het landschap gevuld met compressorstations, jaknikkers (aardoliepompen) en boorinstallaties die allemaal aan het wachten zijn tot zij weer gebruikt zullen worden. Ondanks de ontwrichting van de industrie, met de nodige bodemverontreiniging en aanhoudende economische onzekerheid, kan het fossiele kapitaal daar rekenen op een grote steun onder de bevolking. Deze steun berust momenteel op een unieke klasse-alliantie, die in gebieden waar eerder nog “blauw” werd gestemd, een verpletterende overwinning opleverde voor het Trump-regime. 

Neem de staat Pennsylvania, welke is opgeklommen als gasgigant en nu massaal exporteert voor het oosten van de VS. Beelden die daar vandaan komen doen het al jaren goed op sociale media. Een gemeenschap in het Zuidwesten kampt daar met grove bodemverontreiniging door hoge concentraties van methaan in het drinkwater. Op video’s is te zien dat dit een explosief niveau kan bereiken waardoor je gemakkelijk het water zelf in brand kan zetten. Dit wordt allemaal veroorzaakt door de nabij liggende boorinstallaties; gas lekt door in de bodem, en kan de ondergrondse reserves daardoor bereiken.

Hoe sensationeel deze beelden ook zijn en hoe erg deze omwonende de dupe lijken te worden van de industrie, is het een genormaliseerde werkelijkheid. Kleinschalige boerenbedrijven reageren in de omgeving niet met verontwaardiging, zij zien dit als een noodzaak voor economische vooruitgang. De verdere huishoudens uit de regio zijn daarentegen wel aangewezen op het gebruik van opslagtanks om explosiegevaar te voorkomen. 

Al decennialang wordt er in Pennsylvania teruggevallen op grootschalige grondstofwinning als steunpilaar van de lokale economie. Ondanks de wijdverspreide ervaringen met vervuiling blijft de fossiele industrie daar voet aan de grond krijgen voor snel geld. Dit komt onder andere door een aanhoudende onzekere economische context; staten zoals Pennsylvania, Illinois en Michigan bevinden zich namelijk al sinds de jaren 80 in een neerwaartse economische spiraal. Voorheen was dit het hart van de Amerikaanse auto- en motorindustrie waar het gebied samenkwam in een gigantisch netwerk van fabrikanten. Steden zoals Pittsburgh en Detroit leunde op de zware metaalproductie. De omgeving diende als arbeidsreservoir, leverde grondstoffen en voorzag in de voedselproductie. Nu wordt het landschap gekenmerkt door massale de-industrialisatie en wordt denigrerend de ‘rust belt’ genoemd door bewoners.

Voornamelijk in de geïsoleerde plattelandsgebieden en kleine steden lijkt het tij nog lang niet gekeerd en vind je leegstaande winkelpanden, vervallen huizen en wijdverbreide armoede. Hier wordt door politici ingespeeld op de nostalgie van de inwoners over de oude hoogtijdagen van de industrie. Ted Cruz paste deze strategie bijvoorbeeld toe tijdens zijn bezoek aan een oude houtstad in Williamsport, Pennsylvania. Dit was in 2016. Zo was, volgens Cruz, de staat altijd al een ‘energiestaat’ geweest en was het tijd om deze rol  te herontdekken. Hij beloofde daarbij dat de nieuwe schaliegasprojecten ‘miljoenen en miljoenen nieuwe, goedbetaalde banen’ zou kunnen opleveren. Maar nog geen twee weken na zijn speech sloot het nieuwe gaswinningsproject in de regio al zijn deuren.

 Dit fenomeen is niet nieuw en kenmerkt hoe de fossiele industrie al decennialang te werk gaat in de VS. Vaak wordt er eufemistisch gepraat over een ‘slowdown’ door eigenaren en worden bedrijven langzaam stilgelegd door een opkomende recessie. Dit jojo karakter van de industrie betreft een ‘boom’ en ‘bust’ cyclus die specifiek is aan de relatieve eindigheid van grondstofwinning. Het kapitaal dat hierachter zit weet van deze neiging, maar weet ook dat de vele vormen van extractie makkelijk te herinvesteren zijn, omdat het extractiegebied vrij uitgestrekt is. Er wordt genoeg infrastructuur opgezet in een dergelijk gebied om te beginnen met grondstofdelving, denk aan olieputten of boorinstallaties; maar de ontwikkeling van publieke voorzieningen of lange termijn opbrengsten voor de gemeenschap blijft uit. Het befaamde begrip ‘boomtown’ komt hier ook vandaan, waardoor mensen in isolatie achterblijven na de onvermijdelijke ‘bust’.  

Wanneer een dergelijke ‘boom’ begint wordt er een beroep gedaan op de gigantische hoeveelheid arbeidskrachten in de regio. Dit faciliteert een periode waarin de betreffende gemeenschap een gigantische intrek ziet van tijdelijke werkkrachten. Omdat er vaak niet genoeg huisvesting is, verblijven veel werkers in deze periode in werkkampen met rijen goedkope en verplaatsbare modulaire wooneenheden en campers. Hier kunnen ze, indien nodig, ook van veld wisselen. Ze verblijven in tijdelijke huisvesting en keren terug naar huis in de lange reeksen vrije dagen. Zodoende wordt het land leeggepompt tot de recessieperiode begint, waarna ofwel de grondstof op is, ofwel de opbrengsten dalen door de fluctuerende marktprijzen in de gas- en oliesector. 

Naast de geïsoleerde arbeidskrachten, is fossiel kapitaal vooral afhankelijk van de kleine landeigenaren in het gebied. Zij zijn degene die delfstofrechten bezitten voor hun percelen en zijn een cruciaal onderdeel voor de toegang naar grote ondergrondse voorraden schaliegas en olie. Grondeigenaren verhuren massaal hun land aan energiebedrijven voor gaswinning en ontvangen daarvoor eenmalige vergoedingen en doorlopende betalingen. In 2014 leverde dit hen in de Marcellus-regio al meer dan 2 miljard dollar aan bonussen op. Dit is een goede uitkomst voor hun onzekere bestaan, omdat ze verder niet in aanmerking komen voor landbouwsubsidies door de vaak kleine schaal van hun perceel. 

Een centraal element van hoe fossiel kapitaal opereert is dus de samenkomst van deze twee sociale groepen in het productieproces. Hierbij zijn de arbeidskrachten waar de ‘boomtown’ een beroep op doet, een reserve die is opgebouwd sinds de isolatie van de jaren 80. Zij bevinden zich in een positie waarin ze stelselmatig worden uitgesloten van productie, zonder lange termijn inbedding in de economie. Zij hebben momenteel ook weinig mogelijkheden om zich uit deze isolatie op te trekken. Waar het neoliberalisme een proces van de-industrialisatie in gang zette, zorgde het ook voor de uitholling van de vakbond. Deze klasse valt niet alleen tussen wal en schip door loonmatiging, ontslag en het verlies van arbeidsrechten, maar waar ooit de vakbond een cruciaal onderdeel was voor de sociale en culturele verwevenheid van de samenleving, heeft zij nu bijna geen instrumenten voor collectieve politieke organisatie. 

In hoeverre deze klasse permanent wordt buitengesloten van het productieproces valt nog te betwisten, maar deze opvatting is erg belangrijk om te begrijpen waarom ze vatbaar zijn voor het politieke project van Trump. Geïsoleerde arbeiders vinden momenteel een ontvankelijk klimaat bij conservatieve maatschappelijke organisaties. Zij vullen het vacuüm van de oude vakbondsstructuren: denk aan schietverenigingen die profiteren van een sterke jachttraditie en megakerken die de gesloten plaatselijke kerken vervangen. Op deze manier vormen ze een belangrijk onderdeel van de strategie van fossiel kapitaal en het politieke project van het Trump regime. Gemarginaliseerden en kleine ondernemers worden zo gewonnen voor de fossiele industrie met economische beloftes en ideologische herintegratie, bestaande uit een mix van witte suprematie en vrouwenhaat. Op het moment dat er een republikeinse politicus met grote beloftes namens de gas-of olie-industrie komt, wordt hij met open armen ontvangen. 

Dit soort reactionaire bewegingen staan in een lange traditie van het betrekken van de kleinburgerij en de arbeiders die tussen wal en schip vallen. Het sluit precies aan bij het politieke werk van Karl Marx, “de achttiende Brumaire van Louis Bonaparte” waar hij uitweidt over de weg naar de macht van Louis Bonaparte. Deze achtergrond bevat veel gelijkenissen met zowel de bizarre karikatuur van Trump als de klasse-allianties die voor beide hun macht onderbouwen. De burgerij bestond ten tijde van Bonaparte uit verdeelde facties met sterk uiteenlopende belangen. Tot deze klasse rekende Marx onder meer grootgrondbezitters, de financiële aristocratie zoals bankiers, grote industriëlen en vrije beroepen; priesters en intellectuelen. Deze groepen waren het onderling vaak oneens, bijvoorbeeld over hoe zij omgaan met het revolutionaire proletariaat en over hun steun voor een republikeinse staatsvorm. Door deze interne verdeeldheid was de bourgeois politiek verzwakt. Tegelijkertijd leefde er onder de boeren en de kleinburgerij een verlangen naar orde en stabiliteit. 

De combinatie van factoren droeg ertoe bij dat Louis Bonaparte in december 1848 werd verkozen tot president van de Tweede Republiek. Louis Bonaparte won aanvankelijk de verkiezingen met steun uit verschillende lagen van de samenleving. Enerzijds kreeg hij steun van de financiële elite, en anderzijds wist hij veel stemmen te winnen van de kleine burgerij, zowel op het platteland als in de steden. Deze groepen voelden zich aangesproken door zijn beloftes om belastingen te verlagen en “Frankrijk opnieuw groot en stabiel te maken”. Hoewel deze brede steun hem aan de macht hielp, was zijn latere staatsgreep niet alleen afhankelijk van politieke steun van bovenaf. Ze steunde in belangrijke mate ook op de actieve steun en het geweld van het “lompenproletariaat”, dat hij mobiliseerde om zijn machtsgreep te realiseren.

Het “lompenproletariaat” is dus een belangrijk begrip voor het politieke project van Trump. Marx en Engels gebruikten stevige termen om deze klasse te beschrijven, denk aan onderkruipers of zelfs criminelen. Los van deze kwalificaties ligt de kern van hun klassenpositie in het ontbreken van een stabiele relatie tot de kapitalistische productie. Hun band met arbeid is vaak onregelmatig of wordt gekenmerkt door langdurige werkloosheid. Kenmerkend voor deze groep is dat zij hun diensten noodgedwongen aanbieden aan de hoogste bieder, zonder duurzame inbedding in het economische systeem. Overleven vraagt om het aangrijpen van elke mogelijkheid. Juist deze instabiele positie beïnvloedt de mate waarin zij vatbaar zijn voor, en inzetbaar worden binnen, reactionaire bewegingen. 

Ondanks de nostalgische verwijzingen in Trumps “make America great again” zit er een groot verschil tussen de hedendaagse grondstofwinning en het oude industriële hart van het midwesten. Deze industrie is gebaseerd op een eindigheid die niet in staat is om de productie te evenaren van de vorige eeuw.  Het is melancholie, gebaseerd op sprookjes over de goede oude tijd. Fossiel kapitaal voert deze klucht op door vandaag de dag een alliantie aan te gaan met de klassen die zijn ontwikkeld in het gebied: kleine landeigenaren en werklozen. Het plaatst zich precies in de rol van tijdelijke dienstverlening voor het lompenproletariaat. Zo instrumentaliseert de fossiele industrie de onzekere context waarin deze klassen zich bevinden voor haar eigen doeleinden. Het politieke protectionisme van Trump is een verwarde poging om fossiel kapitaal zich een laatste keer te laten verrijken door te parasiteren op de werkende klasse. 

Leuk artikel? Meld je aan voor de Paraat nieuwsbrief!