Zie de mens/aap! Gustaaf Peeks ontsnapping aan de menselijke natuur

De filosoof G.W.F. Hegel definieerde de mens ooit als een dier dat, omdat het weet dat het een dier is, ophoudt een dier te zijn. Hegels definitie klinkt in de eerste plaats vreemd, bijna raadselachtig. In het kapitalistische Westen is het veel gebruikelijker om bijvoorbeeld te zeggen dat de mens intelligentie heeft, of vrije wil, en andere dieren niet. Dit soort positieve definities, volgens welke de mens iets wél heeft dat andere dieren niet hebben, zijn niet erg plausibel. Filosofisch valt er veel op aan te merken en voor elke positieve eigenschap die je benoemt, valt er wel waarneembaar bewijs te leveren dat andere dieren er ook toe in staat zijn. Hegels definitie is daarom behulpzaam; het is een definitie die zich niet vastpint op deze of gene eigenschap die zogenaamd uniek menselijk zou zijn, het is een definitie van de mens op basis van de manier waarop deze soort kennis vergaart.

Hegels definitie van de mens blijft onvermindert bijzonder. Wij onderscheiden ons wel van het dierenrijk, maar niet door een unieke menselijke essentie. In plaats daarvan ligt het verschil juist in een bijzondere manier waarop wij ons tot onze eigen natuur verhouden. Wij kennen onze dierlijke natuur, op zó’n manier dat we onszelf toch niet helemaal kennen — door ons weten houden we namelijk op een dier te zijn. Wij zijn mensapen, Hominoidea. We kunnen onze eetgewoontes, dag- en nachtritme, dieet, wijze van seksuele reproductie, enzovoorts, tot in den treure beschrijven. Deze kennis zou ons normaal gesproken verplichten de natuurlijke normen van de diersoort aan te nemen als een onweerlegbaar gegeven. Hegels punt is dat wanneer we realiseren dat deze kennis over ons gaat we daarmee ook een deel van ons bestaan realiseren dat niet in wetenschappelijke, biologische, of zelfs antropologische termen te vangen valt. Wat dat betekent is dat wat ons mens maakt, geen concreet, waarneembaar aan te tonen eigenschap is, maar slechts een manier waarop we ons verhouden tot wat we niet zijn. Natuurlijk zijn we mensaap, maar tegelijkertijd is die realisatie ook een manier waarop we onszelf, voorlopig, ad hoc, onderscheiden van de mensapen. We zijn Mens/aap, of, zoals Gustaaf Peek zijn nieuwe dichtbundel heeft getiteld: Orang/oetan.

Het proces van zelfbewustwording is in literatuur en filosofie vaak genoeg beschreven als een heldhaftig proces, niet in de laatste plaats door Hegel zelf. Van de Ilias van Homerus tot Hegels ‘Meester/knecht-dialectiek’, voltrekt dit type verhaal, ook wel bekend als de ‘monomythe’, zich altijd op min of meer dezelfde manier. Een man (meestal een man) komt voor een gigantische opgave te staan, die hem dwingt van huis te gaan. Op zijn pad overmeestert hij alle obstakels en keert vervolgens huiswaarts, tot zelfkennis. De cirkel is weer rond en alles is door zijn toedoen weer terug bij het oude en toch voorgoed veranderd.

Ook de personages in Peeks Oerang/oetan staan voor de gigantische opgave van zelfbewustzijn. Ook zij moeten vechten tegen een wereld die hen vijandig gestemd is. Dat heeft te maken met ras en de nalatenschap van Nederlands kolonialisme: ‘Eerste en enige zus ik heb nog even gekeken / Maar ons beider bruin zit niet in de regenboog’. Zelfs het breken van het licht in alle kleuren op het waarneembare spectrum is geen adequaat symbool van werkelijke inclusie omdat het lijden in kwestie lang niet altijd waarneembaar is geweest.

De personages die Peek opvoert zijn niet alleen van een andere etniciteit en sociale klasse dan de witte man die we kennen uit de Westerse monomythe. Ze zijn doordrongen van de instabiele, voorlopige relatie die de mens tot het dierenrijk en de natuur blijft houden. Peeks bundel zit vol met antropomorfe natuur, en omgekeerd, dierlijke of zelfs plantaardige personages: ‘(Moeders doen stoer / Moeders overleven als / Regenwormen)’. Op die manier probeert Peek dan ook Hegels definitie van de mens, als een wezen dat slechts negatief onderscheiden is van het dierenrijk, te radicaliseren: door overal te benadrukken hoe flinterdun dat onderscheid is.

Exemplarisch voor het broze onderscheid tussen mens en natuur, is het gedicht over ‘de paddenstoelman’, het derde in de reeks over ‘Moeder aarde / modder aarde’. Het gedicht begint als een jeugdige fantasie over het ontstaan van heksenkringen: ‘De paddenstoelman stuift z’n sporen rond / Veroorlooft zich een eigen kring’. Vervolgens mondt deze fantasie uit in een satirische afrekening met de patriarchale én koloniale monomythe, waarin de cirkel van de paddenstoelman, de rondreis die deze macho held heeft afgelegd, plots in een ander daglicht komt te staan: ‘De paddenstoelman is zoon en vader // Meester en overmeesterde / Het wordt hem een omsingeling // Hij trekt zich los sterft zich vrij / Laat z’n verstoorde cirkel aan de wind’.

Het is heel verleidelijk, ook gegeven de dekoloniale ambities van de bundel, om deze wending in het gedicht te zien als een gigantische pennenstreek door de Westerse mythologie, van Oedipus Rex tot de Fenomenologie van de Geest. Enerzijds is het een klassiek-tragisch moment van peripeteia, van zelfkennis nadat het al te laat is. Anderzijds is het ook een manier om boven de klassieke tragedie uit te stijgen, om niet te vertellen over verheven, menselijke daden – het correcte onderwerp van de tragedie, volgens Aristoteles – maar over het biologische proces van een heksenkring, ontstaan uit de sporen van een paddenstoelman.

Toch is Orang/oetan geen afrekening met mythes als zodanig. Ik zie het eerder als een poging om mythes anders te vertellen. Aan het begin van de bundel schrijft Peek: ‘Eindeloos eindig / Zo zijn alle mythen’. Op zichzelf een aardig aforisme, maar in de context van de bundel wellicht ook een manier om de dialectische aard van menselijk zelfbegrip opnieuw naar voren te brengen. Eindeloos eindig, betekent dat niet gewoon: overal en altijd genoodzaakt om de grenzen (de eindes) van ons weten onder ogen te zien, en juist daardoor deze grenzen constant te overschrijden?

We komen dit aforisme tegen in de reeks gedichten De ballade van Saartje Specx. Het is een poëtische vertelling van de (waargebeurde) geschiedenis van een Japans-Nederlandse vrouw, verwekt door een kolonisator van de VOC en zijn Japanse concubine en die op 12-jarige leeftijd door Jan Pieterszoon Coen werd gegeseld omdat ze buitenechtelijke seks had gehad. Deze geschiedenis is al vaker verteld, onder andere door J.J. Slauerhoff in een toneelstuk uit 1931 dat destijds zó controversieel werd gevonden dat het nooit tijdens Slauerhoffs leven is opgevoerd.

Wat Peeks behandeling van het verhaal bijzonder maakt, is niet alleen dat het Saartje Specx daadwerkelijk tot hoofdpersoon verheft; Uiteindelijk blijft Slauerhoffs stuk immers voornamelijk een aanklacht tegen Coen. De ballade is daarnaast ook een zinderende poging om het ontstijgen van woorden in woorden te vangen. Het is alsof in dit deel van de bundel een poging wordt gedaan om het menselijk zelfbewustzijn nóg verder te ontwikkelen, niet alleen voorbij de wetenschap van onze dierlijke natuur, maar voorbij de koloniale woordenschat die we opgelegd krijgen om onze eigen ervaring te begrijpen. Peeks vertelling begint met een reflectie over Saartje Specx’ naam: ‘Saar Sara Saartje Specx // Meteen het doolhof / Van je naam waar / Je moeder Japans / Van tong en droom / Geen spel in herkende’. Peek beschrijft hier een toestand van complete vervreemding, een moeder die haar eigen kind niet eens kan aanspreken. Twintig pagina’s later eindigt de ballade met ‘de geweldige stilte’, natuurlijk de dood, waar Saartje Specx de taal van de kolonisator eindelijk heeft ontstegen en één wordt met de natuur, de laatste grens die een mens kan overschrijden: ‘Het is maar een korte / Val naar de andere kant’. Een klassieke tragedie, maar dan voorbij het menselijke.