Laat de klokken luiden: Nederland krijgt er de komende tijd zeven grote datacentra bij. Heuglijk nieuws voor eenieder die fanaat is van de Nederlandse staat. De NOS duidt deze bouwwerken aan als megagroot (betreffende de omvang). De zeven centra, waarvoor sinds kort de vergunningen zijn aangeleverd, zullen hyperscales zijn. Dit zijn megalomane gebouwen die jaarlijks de stroom verbruiken die meer dan 200.000 huishoudens zou kunnen onderhouden. Onder andere Lelystad en onze hoofdstad zullen zo’n machtige hyperscale rijker worden waardoor het totaal van deze bijbels grote bouwwerken stijgt tot drie. Opvallend is wel; een groot gedeelte van de Kamerleden vindt datacentra lelijk (zeg maar gerust potsierlijk), te groot, milieuonvriendelijk en een belasting op het stroomnet. Toch zijn er vergunningen vergeven en worden de centra echt gebouwd.
Dat wekt de interesse en speculatie. Hoe is het mogelijk dat projecten van zulk een formaat worden uitgevoerd terwijl een meerderheid van de Kamerleden — die de Nederlandse burger zou moeten vertegenwoordigen, toch? — tegen dit soort projecten is? Een hint, en wellicht de sleutel: Google en Microsoft zijn de crème de la crème van de klandizie die deze centra draaiende houdt. Op 1 januari 2026 luidt een kop in de NRC: ‘Google en Microsoft houden energiegebruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’. Waar Google en Microsoft wereldwijd de regels uitmaken, zowel in geopolitieke spelletjes als in het daaglijks leven van burgers, zou het uiteraard (en treurig is dit uiteraard wel) naïef zijn om te denken dat Nederland op deze regel een uitzondering is. Wat blijkt: het is door malafide regelgeving dus niet verplicht voor datacentra en bijbehorende bedrijven om hun data te delen. Daardoor wordt het veel gemakkelijker voor grote tech-bedrijven om, zonder dat hiervoor aan de bel wordt getrokken, vingers in de wereldse pap te steken. Kortom: het wordt voor grote bedrijven makkelijk gemaakt om hun data te verwerken in Nederland, ogenschijnlijk voor hun niet zo biblische doel, de verbinding van Nederland (raadpleeg Exodus 7-11 over wat de verbinding inhoudt, iets met tien plagen of iets dergelijks). De NRC schrijft hierover:
‘De Valk wilde weten hoeveel beslag datacenters op het stroomnet in Nederland leggen. Maar toen ze de cijfers van de grote datacenters over 2024 bij de RVO opvroeg, kreeg ze alsnog niks. Microsoft had de velden in de spreadsheets waarin het bedrijf het stroom- en waterverbruik moest invullen, leeg gelaten. Sommige datacenters ontbraken. Google had helemaal niks ingestuurd. Het jaar erna stuurden de bedrijven meer formulieren in, maar lieten wederom de meeste relevante velden leeg. De reden: de Amerikanen leggen de Europese regels in hun eigen voordeel uit en tot nu toe heeft geen enkel Europees land zin in een potje armpje drukken met de Amerikaanse techreuzen over hun energiegebruik. Ook Nederland niet.’
C’est la vie. Zo is het leven altijd al geweest, of zo lijkt het tenminste. Grote corporaties die de kleinere lichamen onderdrukken. Huid op huid.
Maar: Het probleem van de datacentra ligt uiteraard niet enkel en alleen bij dit fenomeen zelf. Over de hele wereld groeit de vraag naar data en explodeert het aantal netwerken dat hiervoor gebruikt zal moeten worden. Met de komst van artificiële intelligentie is deze vraag nog groter geworden. Ook in Nederland neemt deze vraag naar data gestaag toe. Het is dus niet per se de kwestie of er meer data nodig is, maar waar deze data vandaan zouden moeten komen. Zoals de baanbrekende antropologe en filosoof Mary Douglas in haar boek Purity and Danger (1966) schreef, bestaat dirt niet. Het idee dat iets vuil is en niet binnen de samenleving past, wordt verwekt uit de (symbolische) kaders die binnen de sociale, categorische impliciete grenzen van een samenleving gesteld worden; wat niet binnen de samenleving hoort, wordt dus geconstrueerd. Het punt: datacentrales zijn nodig om aan de behoeften van de Nederlandse consumptiemaatschappij te voldoen, maar Nederlanders willen niet dat deze in Nederland gebouwd worden. Deze centra zijn namelijk te ‘lelijk en te groot’. Uit de lijn der verwachtingen die getrokken kan worden en inderdaad al getrokken is, zal blijken dat zij elders gebouwd zullen worden. Waar? In Afrika. In Zuid-Amerika. In Azië. Het aantal centra dat op deze plekken gebouwd wordt en zal worden gebouwd is exponentieel aan het toenemen, met alle gevolgen van dien: onteigening van landbouwgrond, bevolkingsgroepen die hun woonplekken verliezen omdat megacorpora hyperscales willen bouwen op onontgonnen gebied. Dat bovenal de natuur hier de dupe van is, is evident. Dit is óók een gevolg van de data-afhankelijkheid, en hier wordt nauwelijks aan gedacht.
Dus laat het probleem niet louter de bouw van datacentra in Nederland zijn, maar de bouw van datacentra overal. Het is geen nieuws dat de mate waarin men afhankelijk is van het internet in het afgelopen decennium tot meer-dan-zorgelijke hoogten is gestegen. De mens wordt gemaakt tot het product van zijn eigen verlangen en het verlangen wordt gecreëerd en gecontroleerd door gigantische organisaties zoals de bovengenoemden. Marxist en situationist Guy Debord kwam 60 jaar geleden al met het idee van de spektakelmaatschappij: een maatschappij waarvan de mens zelf het ultieme product vormt. Reclame, film en politiek vervangen de realiteit; alles is schijn; grenzen vervagen; de mens als beschouwer van zichzelf – zoals Debord stelde in zijn boek La Société du Spectacle (1967). Dit was in de jaren ‘60 en dit filosofische idee is nu pragmatischer dan ooit: het internet is alomtegenwoordig in de maatschappij en wij zijn aan haar onderlegd – we verliezen onszelf. De volgende stap in het toneelstuk: de façade volgt de façade op. Het idee van het internet is bevestigd, en om dit goed te praten baadt de mens nu in schijnschuld. Om het moraal te redden laten de Kamerleden het dubio van de computercentrale een temporaal en spatieel probleem lijken dat enkel betrekking heeft op Nederland. Aan de begeerte wordt niks veranderd. Er wordt niet geopperd dat wij wellicht minder internet moeten gebruiken, er wordt enkel geprotesteerd tegen de komst van de datacentra hier in Nederland. Als deze elders gebouwd zouden worden (in het globale Zuiden, bijvoorbeeld), zou niemand iets van zich laten horen; het probleem heeft zich verplaatst en bestaat voor ons dus niet meer. De Nederlandse staat zou haar burgers in bescherming moeten nemen voor dit gevaar, maar dat doet zij niet. Zo baadt zij in het warme bad van de apocriefe onschuld.
Het gedoe rondom de bouw van datacentra leidt tot vele problemen, zoals gigantisch verlies aan natuur -en woongebied over de hele wereld maar leidt ons ook (expres) af van andere problemen, zoals het probleem waar Guy Debord mee kwam, het idee van de spektakelmaatschappij. Voor dit probleem, en het verlies van de Zelf, waarschuwen talloze marxisten en activisten zoals Guy Debord al tientallen jaren, maar wie luistert er? De Kamerleden in ieder geval niet: met links zweren zij trouw aan Nederland, met rechts schudden zij de lange hand van Google en Microsoft. •