Stakingen zijn van alle tijden en doen zich voor in verschillende gedaantes. In dit artikel werpt Berend Bruijn een blik op recente stakingen onder ambtenaren om te kijken welke politieke dimensie er bij deze stakingen komt kijken.
In 2025 en inmiddels ook in dit jaar zijn er meerdere stakingen geweest in de overheidssector (lees: ambtenaren en andere werkenden die afhankelijk zijn van overheidsgelden). Voor de vakbond stond 2025 in het teken van onderwijsstakingen. Docenten aan het hoger onderwijs weigerden les te geven en demonstreerden. Dit jaar kwam de ‘stop de nullijn’ campagne van FNV Overheid op gang. Rijksambtenaren verzetten zich tegen het politieke besluit om te bezuinigen en daarmee geen loonsverhogingen door te voeren, waarmee de reële inkomens van ambtenaren dalen. In beide sectoren gaven arbeiders een duidelijk signaal af: “onze sector is noodzakelijk en wij verdienen een goed loon!”
Arbeiders die staken is niets nieuws. Sinds de opkomst van het industrieel kapitalisme is de staking het machtigste wapen van arbeiders tegenover hun werkgever. De kapitalist, afhankelijk van het afromen van de meerwaarde van de arbeid van werkenden, komt in de problemen als deze weigert die arbeid te leveren. Vakbonden gebruiken dit wapen dan ook regelmatig om druk uit te oefenen in cao-onderhandelingen, het betalen van iets meer loon is dan een betere uitkomst voor de kapitalist, dan voortdurende stakingen.
Niet-traditionele staking
Interessant genoeg zien we deze krachtsverhouding niet terug bij stakingen in de overheidssector. Toen onderwijspersoneel ging staken, ondervond de overheid geen directe schade. Als docenten een dag niet gaan werken kost dit de overheid niks. Sterker nog, zelfs als ze een maand zouden staken, is dat geen direct economisch verlies voor de overheid. Hetzelfde geldt voor de stakende rijksambtenaren: dat er een dag niet wordt gewerkt kost bijna niets. Er blijft wat werk op de plank liggen, maar grote sommen geld zullen daar niet mee gemoeid zijn. Daarmee verdwijnt het belangrijkste machtsmiddel van de staking: het direct raken van de belangen van de werkgever.
De vraag is dus niet alleen waar de kracht van deze stakingen ligt, maar ook wat er verandert wanneer die economische macht ontbreekt. In beide gevallen kan het antwoord gevonden worden in de arena van de parlementaire politiek. Het doel van beide vakbondscampagnes is om via publieke druk de politiek te overtuigen actie te ondernemen en bezuinigingen terug te draaien. Er wordt dan ook veel werk gemaakt van het zichtbaar maken van het leed dat de bezuinigingen veroorzaken bij werknemers en de maatschappij. Dit betekent dat deze stakingen fundamenteel anders functioneren dan klassieke arbeidersstrijd: niet als directe economische druk, maar als politieke beïnvloeding.
Parlementair-politieke staking
In het geval van de onderwijsstaking gaan deze gepaard met demonstraties en ellenlange podiumprogramma over het belang van wetenschap en onderwijs voor de maatschappij. Daarnaast waren bij een aantal van deze stakingen onderwijsbestuurders aanwezig die het belang van instellingen voor defensieontwikkelingen benadrukten. Vanuit een puur parlementaire visie is dit natuurlijk niet gek, als je de VVD wil overtuigen te stoppen met bezuinigen moet je met iets komen wat ze daadwerkelijk aangaat, zoals defensie. Dit is natuurlijk ver verwijderd van het inzetten van economische druk op een werkgever.
Uiteindelijk wordt de ‘baas’ alleen in beeld geschaad. Maar dat is fundamenteel anders dan economische schade. Waar het in de liberale politiek draait om perceptie en zieltjes winnen, kunnen georganiseerde arbeiders deze dynamiek ook gebruiken om concessies af te dwingen. Beeldvorming is echter afhankelijk van politieke context en kan snel omslaan, terwijl economische schade direct en afdwingbaar is. De enige mensen die directe materiële gevolgen ervaren zijn de student en de burger. Dergelijke stakingsacties beroepen zich dan ook altijd op maatschappelijke solidariteit. Woede over de gevolgen van de bezuinigingen voor de maatschappij breed genomen en het onrecht dat een sector aan werkenden wordt aangedaan.
Staking met arbeidersmacht
Dit spanningsveld kan de komende tijd nog relevant worden. De vakbonden hebben al aangekondigd scherpe acties te gaan voeren tegen de voorgenomen AOW-leeftijdsverhoging, de afzwakking van het sociale zekerheidsstelsel en de bezuinigingen op de zorg. Als werkenden hun economische macht wél direct inzetten, ziet de strijd er fundamenteel anders uit. De machinisten kunnen weigeren nog een trein te laten rijden tot de AOW-leeftijd niet verhoogd wordt, de havens kunnen platgelegd worden tot de sociale zekerheid op niveau blijft en verpleegkundigen kunnen stoppen met non-essentiële zorg tot de zorgbezuinigingen teruggedraaid worden.
Dergelijke impactvolle stakingen kunnen gaan van milde politieke druk tot het volledig platleggen van de Nederlandse economie. Het is dan ook niet gek dat dit soort politieke stakingen in Nederland verboden kunnen worden door rechters. Niet dat dit op dit moment meespeelt voor de stakers bij de rijksoverheid. Belangrijke aspecten van de staat platleggen is een radicale politieke keuze. Een keuze waar de gemiddelde Nederlandse werkende niet vanzelf achter staat. Laat staan een docent of ambtenaar.
Het is daarbij ook een keuze die politiek haaks staat op het fundament van de vakbeweging. Geprofessionaliseerde vakbonden zoals de FNV zijn diep verwoven met de systemen van kapitalistische staat en economie. Institutioneel gezien halen ze hun legitimiteit en functie uit de geformaliseerde rol in CAO processen en andere belangenbehartiging in de polder. Deze rol kunnen ze niet op het spel zetten door hun economische macht in te zetten op manieren die de heersende klasse niet kan dulden, zoals politieke eisen afdwingen. Dat zou in bepaalde mate het vertrouwen dat de staat heeft in de FNV ondermijnen. In het geval van de AOW-leeftijd en sociale zekerheid gaat het formeel om bezuinigingen, maar met de geopolitieke ontwikkelingen en bijbehorende militarisering raakt de economistische basis van vakbondsstrijd steeds vaker aan politieke dynamieken rondom bijvoorbeeld imperialisme, en kunnen georganiseerde arbeiders steeds vaker met deze ontwikkelingen geconfronteerd worden.
De rol van communisten
Vakbondsactie rondom deze thema’s kan de publieke opinie op scherp zetten. Hoewel bijvoorbeeld een wapenembargo van havenarbeiders in de huidige Nederlandse vakbeweging ver weg is, zien we hier al voorbeelden van in andere landen. Hierover barst dan vaak discussie los over of de vakbond zich wel bezig moet houden met zulke politieke thema’s en dat dit niet bepaalde arbeiders zou vervreemden van loonstrijd. Tactische kwesties over organisatiegraad daargelaten, biedt dit juist kans voor communisten in de vakbond. Juist om te wijzen op de limieten van economische eisen, om de link aan te wijzen tussen bezuinigingen, imperialisme en klassenstrijd om het politiek te maken. Kaderleden bij een vakbond zijn dag in dag uit bezig met strijd. Strijd die precies langs klasselijnen loopt.
Hier is het onze taak om te agiteren. Om hen in te laten zien dat die klasselijnen impact hebben op veel meer dan alleen directe economische thema’s. Dat het in hun macht ligt als arbeiders gezamenlijk om ook politieke macht uit te oefenen. Zolang arbeiders hun macht beperken tot symbolische druk, blijft de uitkomst afhankelijk van de politiek. Pas wanneer die macht daadwerkelijk wordt ingezet, verandert de machtsverhouding. Die kracht, de gezamenlijke controle over arbeid, werd door Marx geïdentificeerd als de kracht die de werkende klasse het mogelijk zou maken om de kapitalist omver te werpen, het socialisme te vestigen en de klassenmaatschappij af te schaffen. Niet alleen een economisch drukmiddel, maar een politiek wapen.



