Carnaval, volksfeesten en de revolutie

Carnaval is een veelzijdig feest dat mensen bijeenbrengt door tijdelijk de sociale hiërarchieën op zijn kop te zetten en door ruimte te bieden voor collectieve cultuuruitingen. Tegelijkertijd kan de jaarlijkse losbandigheid gebruikt worden om sociale onvrede te kanaliseren en om sociale verhoudingen te versterken. Kan dit karakter ook gebruikt worden voor revolutionaire doeleinden of is het juist een feest van  klassencollaboratie? 

Onbegrijpelijke plaatsnaamborden, optochten en dronken mensen die al hossend door de straten trekken: afgelopen februari stond het zuiden van het land weer op z’n kop. De maatschappij lag een week lang grotendeels stil. Van de grote steden tot de kleinste gehuchten werd er gefeest, gedanst en gedronken.  Leerlingen en studenten hadden vakantie, en ook op de werkvloer was het rustiger dan normaal. De enige tak van industrie die nog op volle toeren draaide was de horeca, die de zware taak had om alle feestgangers van bier te voorzien. Voor de ‘bovensloters’, mensen die boven de rivieren Maas en Waal wonen, zal carnaval misschien overkomen als een zooitje ongeregeld, maar niks is minder waar: carnaval is een eeuwenoud feest met diepe wortels in de Nederlandse geschiedenis en gaat zelfs helemaal terug tot in de oudheid.

Eeuwenoud feest

Carnaval (of Vastelaovend in Limburg) is van oorsprong een katholiek feest waar men nog even al het vet en suiker opmaakt voordat de vastentijd begint. De naam komt waarschijnlijk uit het Latijn: carne vale betekent ‘afscheid van het vlees’. Volgens de katholieke traditie moet men van Aswoensdag tot Pasen 40 dagen lang vasten, hun zonden overdenken, geven aan de armen en zich onthouden van vlees, vet, suiker en alcohol. Tegenwoordig houden nog maar weinig mensen zich aan de christelijke vastentijd: het merendeel van Nederland is atheïst, en zelfs in het katholieke Brabant en Limburg blijven de kerken leeg en de magen vol, voor en na Pasen. Carnaval is vooral een excuus voor de grotendeels ontkerkelijkte bevolking om zich te buiten te gaan aan drank en slechte muziek. Maar zelfs buiten de religieuze context heeft het feest een sociale functie

Carnaval past in een langere traditie van zogenaamde ‘omkeringsrituelen’ of ‘omkeerfeesten’, waarbij de sociale verhoudingen voor korte tijd worden omgedraaid. In het oude Griekenland werd in februari of maart Anthesteria gevierd, een lentefeest ter ere van de wijngod Dionysus. Hierbij werd de wijn van het vorige jaar opgedronken, gedanst en een offer aan de doden gebracht. Opvallend was dat tot slaaf gemaakten ook mee mochten doen met de festiviteiten. In het Romeinse Rijk werd elk jaar in december een feestdag gehouden ter ere van Saturnus, de Saturnalia. Ook hier waren slaven en meesters even gelijk aan elkaar, en maatschappelijke taboes, bijvoorbeeld op gokken of het niet bedekken van het hoofd tijdens religieuze offers, werden opgeheven. Zoals bij elke feestdag werd er tijdens de Saturnalia uitbundig gegeten, gedronken en gedanst. Het hele sociale en politieke leven werd stilgelegd: leerlingen kregen vrij van school, er werd geen recht gesproken in de rechtbanken en zelfs oorlogen werden voor het feest gestaakt.

In de vroege middeleeuwen probeerde de kerk de Saturnalia en vergelijkbare lentefeesten te verbieden, zonder veel succes. Na de millenniumwissel verzachtte de positie van kerkelijke leiders, en carnaval werd opgenomen in de christelijke kalender. Vanaf de 13de eeuw zijn de eerste expliciete verwijzingen naar een christelijk carnavalsfeest te vinden. In  Venetië ontwikkelt zich het beroemde feest met maskers en kostuums, en een anonieme Franse schrijver schrijft een gedicht van meer dan 500 regels over de strijd tussen magerheid (de vastenavond) en overvloed (carnaval). Heel de Middeleeuwen lang was het feest, maar de Reformatie en daaropvolgende Contrareformatie gooiden roet in het eten: protestantse leiders als Calvijn hadden felle kritiek op de “heidense” overvloed. Ook de katholieken vonden dat het feest uit de hand was gelopen, en tussen de 16de en 19de eeuw werd carnaval ook in katholieke landen als Frankrijk en Italië verboden of aan banden gelegd. Dit leidde natuurlijk tot weerstand: carnaval liet zich niet verbieden. Het feest ging stiekem door, in besloten kringen, maar van grote openbare parades en verkleedpartijen was geen sprake meer. Pas halverwege de 19de kwam er onder invloed van de vernieuwde interesse in volkscultuur en de katholieke emancipatiebeweging een heropleving in de carnavalscultuur.

Alles op z’n kop

Uiteraard is het religieuze aspect niet de kern van modern carnaval. Carnaval is vooral een feest waar de heersende sociale normen op z’n kop worden gezet. Naast de maatschappelijke norm dat men werkt en niet om 10 uur ‘s ochtends al in de kroeg staat, zijn er nog meer taboes die aan de laars worden gelapt. De bestaande rangen, standen en hiërarchieën worden tijdelijk opgeheven of omgedraaid: mannen verkleden zich als vrouwen, vrouwen verkleden zich als mannen, gewone burgers verkleden zich als boerenkinkels of juist als prins en eventjes is iedereen gelijk. Die maatschappelijke gelijkheid die tijdens carnaval heerst, wordt vaak vergeten omdat deze minder zichtbaar en aantrekkelijk is dan het feesten, de alcohol en kostuums. Toch is die gelijkheid en het verbreken van maatschappelijke taboes juist de oorsprong van veel carnavalsgebruiken.

In het Bourgondisch of Brabants carnaval is het traditionele kostuum voor stedelingen een boerenkiel met rode zakdoek: de stedelingen vermommen zich als mensen van het platteland. Ook Prins Carnaval en hun Raad van 11 is een omkering van de normale gang van zaken: een gewone burger krijgt tijdelijk een adellijke titel toegeschreven en maakt de dienst uit in de stad. Het gevoel van gelijkheid, het verkleden als iemand uit een andere sociale klasse en het verkiezen van iemand uit de lagere stand als symbolische leider past in de traditie van de eerder genoemde ommekeersfeesten.

Een belangrijk aspect van carnaval is het belachelijk maken (en belachelijk mogen maken) van de heersende cultuur en zittende macht. Op de praalwagens van de optocht wordt regelmatig de draak gestoken met lokale politiek. Dit kan subtiel, bijvoorbeeld door een praalwagen met zonnepanelen en windmolentjes te bedekken voor het thema ‘duurzaamheid’. Het kan ook minder subtiel, zoals in de Limburgse gemeente Beekdaelen, waar carnavalsvereniging De Klotsköp dit jaar een wagen wijdde aan het feit dat een lokale wethouder dronken achter het stuur was gekropen en zo een ongeluk heeft veroorzaakt. Ook de internationale politiek moet het vergelden: vooral de Duitse kunstenaar Jacques Tilly staat bekend om zijn wagens waarin wereldleiders zoals Merkel, Poetin en Trump belachelijk worden gemaakt. Hiervoor is de kunstenaar veroordeeld tot 8 jaar celstraf in absentia, wegens ‘het beledigen van de Russische strijdmachten’.

Net zoals de praalwagens worden de carnavalsliedjes traditioneel door lokale artiesten gemaakt, maar zijn meestal niet politiek geladen. Hoewel er soms de draak wordt gestoken met maatschappelijke verhoudingen, bijvoorbeeld tussen man en vrouw in het burgelijk huwelijk, gaat dit niet veel verder dan klagen over het onfatsoenlijke gedrag van mannen of het gezeik van moeder de vrouw. De grappen werken eerder als een bevestiging dan als een ondermijning van de sociale orde. De carnavalsliedjes worden vaak in het lokale dialect gezongen. Ook het ‘tonpraoten’ (Brabant) of ‘buuttereednen’ (Duitsland en Limburg), een soort amateur-cabaret waarbij de spreker vanuit een op het podium geplaatst biervat een optreden houdt, wordt in het dialect voorgedragen. Zeker in steden met een lange carnavalstraditie, zoals Maastricht en ‘s-Hertogenbosch, is het lokale dialect of de streektaal een vast onderdeel van de carnavalsviering. Dit heeft meerdere functies: het versterkt de lokale cultuur, creëert een saamhorigheidsgevoel met anderen uit dezelfde regio, dorp of stad en is ook een manier om zich af te zetten tegen de heersende cultuur, waarin het ‘Hollandse’ Standaardnederlands de boventoon voert en dialect als minderwaardig wordt gezien.

De sociale functie van carnaval

Als carnaval een feest van gelijkheid is, waar de maatschappelijke orde wordt omgekeerd en de lagere klassen het (eventjes) voor het zeggen hebben, is het dan ook een inherent revolutionair feest? Nou, nee. Er wordt elk jaar carnaval gevierd, en het heeft er nog niet voor gezorgd dat er spontaan een volksrepubliek Brabant of onafhankelijk socialistisch Limburg wordt uitgeroepen. Waar kermissen, sportwedstrijden en ander ‘volksvermaak’ regelmatig uitmonden in rellen, verloopt carnaval vaak rustig. Geen grootschalig oproer of vernielingen: de chaos van carnaval is compleet onschadelijk voor het systeem.

Logisch natuurlijk: de heersende machten, of dit nu de adel, geestelijkheid of bourgeoisie is, zouden nooit een feest toelaten dat daadwerkelijk een bedreiging voor hun macht zou zijn. Het jaarlijks terugkerende breken van taboes lijkt eerder een manier om onvrede te kanaliseren en de onderklassen de rest van het jaar zoet te houden. Tijdens Saturnalia werden tot slaaf gemaakten bediend door hun meester, en mochten ze hun meerderen voor de gek houden: maar wanneer het feest voorbij is, keert de ‘normale’ gang van zaken terug. Voor de rest van het jaar moeten de tot slaaf gemaakten voor hun meester werken, en hebben geen inspraak over hun lot: hun situatie is er niet op vooruit gegaan. De jaarlijkse omkering van de maatschappelijke normen zorgt niet voor daadwerkelijke verandering in de rest van het jaar. De rol van de ommekeersfeesten is het versterken van sociale verhoudingen door middel van het tijdelijk doorbreken ervan: carnaval vervult dezelfde rol.

Rood is de kleur van Vastelaovend

Moeten wij, als socialisten, iets van carnaval vinden? Of is het gewoon een mooi volksfeest dat altijd in een of andere vorm zal bestaan omdat mensen het fijn vinden om gezamenlijk even gek te doen en stoom af te blazen? Als socialisten streven we (natuurlijk) naar een wereld waarin men het hele jaar door gelijk en solidair is met elkaar, en er dus geen behoefte is om stoom af te blazen. Hoe leuk het ook is om de bestaande verhoudingen eventjes om te draaien, wij streven naar een wereld waarin de werkende klasse altijd de macht heeft. De symbolische macht van Prins Carnaval en de Raad van 11 steekt daar maar slapjes tegen af.

Natuurlijk hebben de communisten nu niet de macht in het land, maar het is nog steeds mogelijk om een roder, klassebewuster tintje te geven aan de huidige versie/interpertatie van carnaval. Te vaak wordt de binnenstad geregeerd door kleinburgerlijke tirannen: in Breda is het tijdens carnaval verboden zelf bier mee te nemen, waardoor iedereen zich blauw moet betalen aan zo’n zielige festivalcup. In het kader van collectieve gezelligheid zou een socialistisch carnaval zich kunnen inzetten voor goedkoop (of zelfs gratis) bier. ook een meer open verenigingscultuur, waarbij iedereen welkom is, en het Prinsenschap niet meer slechts bij uitzondering openstaat voor vrouwen. Carnaval zoals het ooit bedoeld is: een feest van de massa’s, voor de massa’s. Kameraden, alaaf!