Hoe eigenen we onze buik weer aan onszelf toe? Wat is de strijd om de eigen buik? En hoe onderzoek je een onderwerp dat eigenlijk nog niet onderzocht is in Nederland? Paraat! spreekt hierover met marxistisch filosoof, onderzoeker, auteur, verloskundige en activist Rodante van der Waal. Van der Waal studeerde filosofie en verloskunde in Amsterdam en houdt zich al jaren bezig met geweld binnen de gezondheidszorg, en publiceerde recent het essayboek Baas in eigen buik.
Het is vrijdag. We spreken Rodante van der Waal niet alleen vanwege onze grote interesse voor diens onderzoek maar ook vanwege het goede moment. Het nieuwe boek ‘Baas in eigen buik’ (2025) van Rodante over obstetrisch geweld, emancipatie en over de intersectionele strijd om de ‘eigen buik’ is namelijk net uitgekomen. Een beter moment voor een interview is er dus eigenlijk niet.
Wat is obstetrisch geweld?
‘Ik zie obstetrisch geweld als een institutionele vorm van geweld die samenhangt met de cultuur van de geboortezorg en waarin op structurele basis het lichaam van mensen met een baarmoeder wordt toegeëigend door de zorg. In Nederland uit zich dit voornamelijk als het plegen van interventies zonder toestemming, zoals het zetten van een knip of het doen van een inwendig onderzoek. Dit wordt gedaan uit het paternalistische idee dat dit het beste is voor moeder en kind. De artsen vergeten dan de zwangere om toestemming te vragen.
Obstetrisch geweld is eigenlijk een soort piramide waarin de meest ernstige dingen, dus de meest ernstige vormen van fysiek geweld, zoals de knip in de vagina zonder toestemming, aan de top van de piramide staan. Het gebrek aan bewegingsvrijheid staat meer in het midden van de piramide. Onderaan staat bijvoorbeeld het normaliseren van de gedachte dat mensen tijdens het bevallen niet rationeel zijn.’
Hoe kwam je erop je te verdiepen in obstetrisch geweld?
‘Ik was verloskunde gaan studeren omdat ik dacht dat het een feministisch beroep zou zijn en ik graag iets praktisch in de wereld wilde bijdragen. Ik zag echter veel seksisme en misogynie in de manier waarop zorgverleners mensen begeleiden tijdens hun baring. Daar was ik van ontdaan. Ik kwam er later achter dat het toch wel een heel feministisch beroep kan zijn: in Nederland is dat de autonome verloskunde.
Als student werd er tijdens mijn stage verwacht dat ik meeging met de cultuur die in ziekenhuizen heerste. Als ik te veel doorvroeg of zei dat ik liever geen inwendig onderzoek wilde doen zonder toestemming bij mensen die de taal niet spraken, kreeg ik daarvoor op mijn kop. Zo ontstond er een druk om je te conformeren aan de status quo. Dat ging steeds meer wringen waardoor ik het gevoel had dat ik medeplichtig was aan geweld.
In de praktijk lukte het me niet genoeg om me daartegen te verzetten. Het is best moeilijk als je afhankelijk bent van supervisors om voor mensen op te staan. Toen heb ik mijn promotieonderzoek daarvan gemaakt. Nu probeer ik het meer deel te laten worden van de publieke ruimte. Het moet een breder georganiseerde verandering worden.’
Hoe doe je onderzoek naar een onderwerp dat zo onderbelicht is?
‘Mijn proefschrift was een van de eerste onderzoeken over dit onderwerp dat in Nederland is uitgebracht. Daarom had ik weinig fundament en moest ik integraal onderzoek uitvoeren. Ik had als zorgverlener een goede positie om dat uit te voeren, want ik snapte goed wat er aan de hand was in ziekenhuizen en tijdens bevallingen. Ik was ook nog niet zo lang afgestudeerd, wat ook hielp een blik van buitenaf te hebben. Ik heb veel interviews gedaan en heb in feite onderzocht wat de mensen uit de praktijk zelf al weten. Het werd een kennisonderzoek naar onder andere activisten, practitioners, midwives en vroedvrouwen in de geboortezorg.
Het was tijdens mijn onderzoek vooral moeilijk om duidelijk te maken dat obstetrisch geweld überhaupt bestaat. Veel mensen denken dat artsen wel weten wat ze doen. Ze denken dat er vast een reden bestaat dat artsen bepaalde keuzes maken tijdens een bevalling. Veel ingrepen zijn zo genormaliseerd dat het überhaupt moeilijk is om het geweld te herkennen. Voor artsen en gynaecologen is het vaak ook lastig om te reflecteren op eigen handelen omdat ze zo lang in opleiding zijn geweest.’
‘Ik heb gemerkt dat er sinds het begin van mijn studie, laten we zeggen sinds tien jaar, veel meer aandacht is vanuit zorgverleners, maar in vergelijking met vroeger is obstetrisch geweld veel meer aanwezig. In de jaren negentig beviel 30 procent van de vrouwen nog thuis in Nederland. Op dit moment is dat rond de 11 procent. Thuis heb je een veel minder grote kans op institutioneel geweld, puur omdat het geen instituut is. Daar bestaat diezelfde haast, norm en hiërarchie dus niet.’
In je essay komen ook de termen overmedicalisatie en ondermedicalisatie voor. Zou je kunnen uitleggen wat je hiermee bedoelt?
‘Die termen hangen samen met een bredere, intersectionele lens van rechtvaardigheid waarmee je kijkt naar alle verschillende groepen die te maken krijgen met obstetrisch geweld. Wat we zien is dat veel witte zwangeren te maken hebben met overmedicalisatie, namelijk dat er zo min mogelijk risico’s genomen worden met hun foetus. Daardoor besluiten artsen bijvoorbeeld te snel een keizersnede uit te voeren. In Engeland is het nu zelfs zo dat er meer keizersnedes zijn dan spontane bevallingen. 45 procent van de mensen bevalt daar met een keizersnede. Dat is een bizar hoog aantal. Volgens de World Health Organisation moet het aantal eigenlijk onder de 15 procent zijn. Dat is een vorm van overmedicalisering: te snel medisch ingrijpen.
Echter, veel mensen lijden ook aan ondermedicalisering. Dit komt mede door het stereotype dat zwarte vrouwen beter tegen pijn zouden kunnen. Zo is er bijvoorbeeld een veel hogere moeder- en kindsterfte bij de zwarte bevolking in Nederland. In de VS is dit probleem nog groter: mensen gaan daar naar het ziekenhuis en worden soms totaal genegeerd. Obstetrische geweld bij witte mensen leidt vaak tot emotioneel trauma maar niet zozeer tot hogere sterftecijfers. Bij niet-witte mensen leidt het wel vaker tot overlijden.’
Wat is reproductieve rechtvaardigheid?
‘Reproductieve rechtvaardigheid is een term die is gemunt door zwarte feministen in de VS in de jaren 90. Zij introduceerden de term om een nieuwe beweging rondom reproductieve keuzes te organiseren. Je had destijds de abortusbeweging, maar dat was een witte beweging van de middenklasse. Die namen vaak niet mee dat veel vrouwen van kleur en inheemse vrouwen kwamen met het tegenovergestelde probleem: niet alleen hadden ze geen toegang tot abortus, maar vaak waren ze ook slachtoffer van gedwongen sterilisaties of gedwongen geboortebeperking. De zwarte feministen die reproductieve rechtvaardigheid introduceerden wilden een bredere beweging. Niet alleen voor toegang tot abortus, maar ook, zoals nu in verband met de genocide in Gaza, het recht om de kinderen die we krijgen in veiligheid en waardigheid op te voeden. Reproductieve rechtvaardigheid is daarom een beweging voor sociale rechtvaardigheid die veel breder kijkt dan slechts toegang tot één specifiek fonds of één specifieke keuze.
In de strijd voor individuele autonomie wordt vaak vergeten dat er andere mensen zijn die door sociale of economische omstandigheden alsnog minder toegang hebben tot die keuze. In Nederland zien we dat mensen die de Nederlandse taal niet spreken, niet in de Randstad wonen of minder geld hebben veel slechtere toegang hebben tot abortus. Ook al hebben we daar formeel gezien allemaal hetzelfde recht op.
Reproductieve rechtvaardigheid is in die zin vóór een bredere beweging die uit is op maatschappelijke verandering in plaats van de witte, feministische, emancipatoire beweging die we al hebben in deze maatschappij.
We hebben in de geschiedenis gezien dat onze buiken ons zijn afgenomen, onteigend. Nu gaat het over het ons weer toe-eigenen daarvan. In mijn proefschrift bespreek ik Shulamith Firestone. Haar boek The Dialectic of Sex gaat over de baas worden van de reproductie of de middelen van reproductie. Waar Marx en Engels de middelen van productie in handen willen nemen, wil Firestone middelen van reproductie in handen nemen. Zij staat voor het toe-eigenen van de baarmoeder en van kinderen aan de mensen zelf. Zo bedoel ik dat ook. Het weer toe-eigenen van de buik en baarmoeder op een gemeenschappelijke wijze, dus op grote schaal.’
Hoe zouden organisaties zoals ROOD of de RSP zich het best kunnen verzetten tegen obstetrisch geweld?
‘Het begint al met dat jullie dit interview hebben gedaan. Traditioneel gezien is er vanuit een radicaal linkse hoek weinig oog geweest voor problemen rondom vruchtbaarheid en reproductieve rechtvaardigheid. Het is efficiënt om dit mee te nemen in welke strijd dan ook.
Zelf ben ik lid van het Abortus Network Amsterdam, wat onderdeel is van Abortion Without Borders. Dat is een anarchistische groep die voornamelijk mensen uit Polen, maar ook uit andere landen, helpt om in Nederland een abortus te krijgen. Ik zie dit soort netwerken als een weg tot een oplossing, omdat zij over veel kennis beschikken. Op dit moment is er veel momentum rondom de Dolle Mina’s en Baas in Eigen Buik, alleen kan je je afvragen in hoeverre dat verder gaat dan individuele keuzevrijheid. Deze groepen hebben rondom femicide een intersectionele aanpak, maar als het gaat om abortus vind ik dat tegenvallen. Misschien is er een manier om bewegingen die nu nog jong zijn en snel groeien meer een linkse kant op te trekken, zodat niet alles verdwijnt in een GroenLinks-PvdA-bolwerk.
Wat ook een uitdaging is, is het betrekken van arbeiders in de zorg. Ik vind het tijdschrift Jacobin fantastisch, maar er staan weinig stukken in over verloskundigen of verpleegkundigen. Als ik dan kijk naar de groep verloskundigen, dan zou je daar nog actiever mensen kunnen mobiliseren. Ook een anti-hiërarchische vorm van werken zal helpen. Zo maken autonome verloskundigen zich óók hard voor de imminente rechten van zwangeren.’