Vrouwelijke revolutionairen krijgen vaak niet het respect dat ze verdienen, zeker als ze van buiten het westen komen. We lichten drie vrouwelijke, niet-westerse revolutionairen uit: Ruth Neto, Anuradha Ghandy en Xiang Jingyu.
Ruth Neto
Maria Ruth da Silva Chela Neto werd in 1936 geboren in Angola, dat toen onder Portugees bewind stond. Zij zou een grote indruk achterlaten, niet alleen op Angola, maar op het volledige Afrikaanse continent.
Na haar jeugd in Luanda verhuisde zij in haar vroege twintiger jaren naar Portugal om verpleegkunde te studeren. Toen in 1961 de Angolese Oorlog voor Onafhankelijk uitbrak vertrok Neto uit Portugal naar Lüdenscheid in Duitsland, waar ze begon met werken in een fabriek. Later verhuisde ze naar Frankfurt waar ze verdere verpleegkundevakken volgde, gevolgd door een verhuizing naar Freiburg, deze keer voor het studeren van klinische analyse.
In Lüdenscheid werd ze middels een brief van Maria Helena Trovoada, wie later de presidentsvrouw zou worden van Sao Tome en Principe, aangemoedigd om aankomende conferenties en netwerken van internationale vrouwenorganisaties te onderzoeken waarin Angolese vrouwen deel zouden kunnen nemen. Neto wilde echter niet terugkeren naar Angola uit angst voor vervolging door de Polícia Internacional e de Defesa do Estado, de Portugese politieke politie.
Kort nadat ze in 1968 haar broer ontmoette in Vienna zou zij echter verder politiek geactiveerd worden. Haar broer was de toenmalige president was van de Movimento Popular de Libertação de Angola (Volksbeweging voor de Bevrijding van Angola, MPLA), en kort na hem gezien te hebben besloot ze met haar familie te verhuizen naar Dar es Salaam in Tanzania om te werken in het kantoor van de MPLA. Eén van de takken van de MPLA was de Organização das Mulheres de Angola (Organisatie van Angolese Vrouwen, OMA) en met het begin van haar werk bij MPLA begon zij zich hier direct te mengen. In de vroege 70e jaren werd zij zelfs het hoofd van OMA.
In 1974 werd Angola onafhankelijk verklaard wegens een coup d’état in Portugal die zou leiden tot het stoppen van de militaire verwikkeling met Angola. Dezelfde dag werd de broer van Neto uitgesproken tot president en kort daarna keerde Neto keerde terug naar Angola.
Neto zette na de onafhankelijkheid van Angola haar revolutionaire werk voort. In 1976 werd Neto de eerste nationale coördinator van OMA en tevens de vicevoorzitter van het uitvoerend comité van de Women’s International Democratic Federation (Internationale Democratische Vrouwenfederatie, WIDF). In de decennia hierna woonde ze conferenties en seminars bij, en gaf zij trainingen in verband met OMA. Ook sprak ze zich uit tegen diverse problemen in Angola, zoals een tekort aan educatie over seks en gezinsplanning. Onder de voorgenoemde conferenties vallen het WIDF-congres en het OMA congres, maar in het bijzonder ook het congres van de Portugese Communistische Partij, waar zij zich uitsprak voor de wens voor Angola om zich te ontwikkelen tot een socialistisch land.
Uiteindelijk zou zij in 1985 de Orden Ana Betancourt winnen samen met Freda Brown, de toenmalige president van de WIDF en een aantal vrouwelijke vertegenwoordigers van Nicaragua en de Sovjet-Unie. De Orden Ana Betancourt was Cuba’s grootste onderscheiding voor vrouwen en werd direct uitgegeven door Fidel Castro. Ook ontving zij in 2015 de Son and Daughter of Africa Award voor het bevorderen van vrede en veiligheid in Afrika.
Anuradha Ghandy
Anuradha Ghandy, geboren in 1954 als Anuradha Shanbag, was Marxistisch feministisch schrijver en revolutionair uit India. Haar ouders waren Ganesh en Kumud Shanbag, twee oud-leden van de Communistische Partij van India (CPI). Door hen kreeg zij al op jonge leeftijd te maken met progressieve ideeën. Ze ging ook naar de J.B. Petit School in Santacruz, waar kinderen gevarieerde wereldbeelden en ideeën aangeleerd werden.
Aan het Elphinstone College in Mumbai begon Anuradha een hoofdrol te spelen in de linkse politiek van de school. In deze tijd zag ze de vluchtelingenkampen in het door oorlog getroffen Bangladesh en ook de hongersnood in gebieden van Maharashtra. Dit werd voor haar een grote motivatie voor het uitvoeren van maatschappelijk werk. Uiteindelijk zou dit ook leiden tot haar toetreding tot de Maoïstische beweging, waar ze mee hielp een tak op te richten van de Maoïstische Communistische Partij van India in Maharashtra. Later zou zij zelfs lid worden van het Centraal Comité van de partij.
Uiteindelijk zou haar interesse in de vakbonden en Dalit bewegingen van de Vidarbha regio ertoe leiden dat zij zou verhuizen van Mumbai naar Nagpur in 1982. Rondom deze periode werd zij meerdere malen gearresteerd waardoor zij uiteindelijk ondergronds ging.
Helaas zouden deze arrestaties en haar verdere wantrouwen voor de staat er uiteindelijk voor zorgen dat zij vroegtijdig overleed. In 2008 werd zij onwetend besmet met falciparum malaria. Toen zij wegens symptomen langs de dokter ging heeft zij een nep telefoonnummer achtergelaten. Begrijpelijk, gezien de staat haar op dit moment zag als terrorist. Toen de dokter haar diagnose vaststelde was zij niet te bereiken. In de laatste dagen voor haar dood op 12 april 2008, hielp zij de mensen van Jharkhand in hun educatie over onderdrukking en leerde zij de vrouwen leiderschapsvaardigheden.
Ondanks haar actieve rol in de CPI en in sociaal werk vond zij ook de tijd om te schrijven. Ze schreef Fascism, Fundamentalism, and Patriarchy en People’s War has shattered the hesitations of the women of Dandakaranya in 2001. Later zou zij ook een boek uitbrengen in 2006, kort voor haar dood: Philosophical Trends in the Feminist Movement. In deze stukken kwam de diepgang van haar theoretische basis naar voren. Zo wierp zij een kritische blik op de feministische stromingen en zette ze uiteen dat de meeste van deze er een burgerlijk perspectief op nahielden. Ze was ook erg kritisch op het linkse leiderschap dat de onderdrukking van vrouwen vaak ronduit negeerde. Ze stond erop dat de bevrijding van vrouwen alleen bereikt kon worden via een radicaal socialistisch project dat de bestaande machtsstructuren om zou gooien.
Xiang Jingyu
Xiang Jingyu was een Chinese revolutionair en socialistisch feminist geboren in Hunan in 1895. Ze was het eerste meisje dat naar school ging in het imperialistisch China en maakte zich al vroeg zorgen over Chinese politiek.
Zo ging ze op 20-jarige leeftijd nadat de Eenentwintig Eisen ondertekend waren, een akkoord vanuit Japan tijdens de Tweede Wereldoorlog met als doel om controle over China te krijgen, de straat op om ertegen te speechen.
Zij, en haar toekomstige man Cai Hesen hadden al vroeg contact met Mao Zedong wegens de New Citizen Study Society. Het doel van deze organisatie was ‘…om wetenschappelijk onderzoek te vernieuwen, moreel karakter te ontwikkelen en de harten en gewoonten van mensen te verbeteren.’ Veel leden van die organisatie, waaronder Xiang, zouden later bij de Chinese Communistische Partij gaan.
In 1922 sloot Jingyu zich aan bij de CCP. Binnen de CCP werd ze tot twee keer toe verkozen tot de leider van de vrouwenbeweging binnen de CCP. Ook werd ze drie keer gekozen voor een positie in het centraal comité van de CCP. Ze zag vrouwelijke werkers als de primaire kracht die zou moeten zorgen voor een revolutie voor vrouwen in China. Zij was overtuigd dat het negatieve sentiment ten opzichte van krijgsheren en imperialisme binnen vrouwenbewegingen in China de verschillende bewegingen zou kunnen verenigen. Gedurende haar lidmaatschap van de CCP schreef zij ook artikelen voor Gids Weekblad en Vrouwenweekblad, twee tijdschriften voor het spreiden van communistische en feministische ideeën.
De bladen waar zij in schreef werden met namen gelezen door hoogopgeleide vrouwen die men onder Marxistische analyse zou beschrijven als deel van de bourgeoisie. Tevens waren het deze vrouwen die over het algemeen de vrouwenbewegingen vormde. Het idee om deze ‘klassenvijanden’ in te lichten over de vrouwelijke arbeider, en verder te verenigen, was dan ook in strijd met de mening van de Derde Internationale. Daar werden over het algemeen coalities met bourgeois feministen ontmoedigd. Ondanks kritiek hield ze voet bij stuk. Ze zette door en speelde zoal een sleutelrol in de beweging van 30 mei 1925; een grote anti-imperialistische arbeidersbeweging in China.
Helaas nam haar reputatie vanaf mei 1927 af door een affaire met Peng Shuzhi, een leider binnen de CCP. Dit leidt tot haar verwijdering van de kernleden van de CCP. Haar werk was echter niet klaar. Hierna leidde zij nog de vrouwenbeweging in Wuhan en werkte ze bij een provinciale publiciteitsafdeling van de partij. Ook redigeerde zij de ondergrondse krant van de partij genaamd Grote Rivier.
Xiang is uiteindelijk opgepakt door de Kuomintang, toentertijd een grote nationalistisch partij in China, die bezig was met een brute ‘zuivering’ die alle communisten en hun kameraden betrof. Xiang Jingyu werd op 1 mei 1928 geëxecuteerd.
Na haar dood prees Mao Zedong haar als een revolutionair. Volgens hem was zij de enige vrouwelijke oprichter van de CCP, en meer dan dat, iemand om geïnspireerd door te worden.