Wat de RSP over feminisme kan leren van andere organisaties

De RSP zegt in haar programma te staan voor een socialistisch feminisme dat strijdt voor vrouwenemancipatie en een breuk met het patriarchaat. Echter ontbreekt er binnen de RSP en in Nederland in het algemeen, een strijdbare, socialistische feministische organisatie. Hoe kunnen we die feministische organisatie opbouwen? En wat kunnen we daarbij leren van partijen en organisaties in andere landen?

Als het om feminisme gaat zit de RSP op de goede weg, zeker vergeleken met haar eerste jaren, maar heeft ook nog veel te winnen. Het gebrek aan organisatie op feministisch gebied is natuurlijk ook een gevolg van een gebrek aan algemene organisatie, we zijn nog klein en hebben daarom beperkte tijd en middelen om in alle sociale bewegingen actief te zijn. Maar zoals het programma zegt, de strijd voor socialisme en vrouwenemancipatie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het betrekken van vrouwen bij onze partij is, net zoals het betrekken van de vakbeweging, broodnodig voor het versterken van de partij en het aanwakkeren van de klassenstrijd. De vraag is echter hoe? Een klassieke manier om vrouwen te betrekken bij de partijbeweging is door het oprichten van feministische- of vrouwenorganisaties waarin feministen zich verenigingen rond specifieke onderwerpen die voor hen van belang zijn, zoals gelijk loon, femicide, kinderopvang of sociale veiligheid. 

Om deze organisaties op te bouwen en van de RSP een waar feministisch bolwerk te maken helpt het om te leren van andere organisaties, hun fouten en overwinningen. Zo hoeven we niet steeds opnieuw het wiel uit te vinden. Hierbij is het nuttig te kijken naar partijen uit onze buurlanden die een gelijksoortige sociale en politieke ontwikkeling hebben doorgemaakt. Hoe bewonderenswaardig de revolutionaire vrouwenorganisaties in landen als Cuba ook zijn, denk ik dat we in de huidige staat van de beweging meer te leren hebben van onze Europese kameraden. 

Vrouwennetwerken of feministische organisaties? 

Het idee om vrouwen te verenigen in een eigen organisatie is niet nieuw, noch wordt deze alleen door linkse partijen gebruikt. Zo’n beetje elke politieke stroming in Nederland heeft een eigen vrouwenbeweging gehad, die al dan niet openlijk verbonden was met een parlementaire partij. Zo waren er de Rooms-Katholieke Vrouwenbond, sociaaldemocratische vrouwenclubs, het Anti-Revolutionair Vrouwencomité en ga zo maar door. Hoewel het tegenwoordig minder vanzelfsprekend is voor politieke partijen om een vrouwenbeweging te hebben, is het niet slechts iets van het verleden: die van de VVD, CDA en PvdA zijn nog steeds actief. Jammer genoeg ontbreekt het in Nederland bij linkse partijen aan enig officieel vrouwennetwerk. Maar gelukkig kunnen we afkijken bij kameraden in andere landen.  De Belgische PVDA/PTB heeft bijvoorbeeld het vrouwennetwerk Zelle, dat zich onder andere inzet tegen huiselijk geweld en femicide, maar vooral als ontmoetingsplek dient voor strijdbare vrouwen. Andere partijen, zoals Die Linke (Duitsland), DSA (Amerika) en SUF (Denemarken) hebben feministische organisaties die voor iedereen toegankelijk zijn, ook voor mannen. 

Beide constructies hebben voordelen en nadelen. Een vrouwennetwerk maakt het mogelijk om vrouwen die nog niet erg politiek actief zijn op een laagdrempelige manier te betrekken, maar sluit mogelijk non-binaire mensen en transvrouwen uit. Een feministische beweging is inclusiever, omdat het niemand uitsluit op basis van gender, maar de expliciete politieke natuur van de beweging kan ook afschrikkend werken.  

Buiten de partij?

Een nadeel van een aparte beweging, of deze nu exclusief voor vrouwen of voor alle feministen is, is dat het feminisme en de activiteiten van vrouwen daardoor als het ware buiten de partij worden geplaatst. Dit kan acceptabel zijn zolang de partij een nauwe band houdt met de feministische organisatie en de stem van vrouwen ook binnen de partij wordt gehoord. Deze feministische organisatie wordt dan simpelweg een plek voor politieke agitatie rond specifieke onderwerpen en, in het geval van een vrouwennetwerk, een sociale club waar vrouwen elkaar kunnen ontmoeten en ondersteunen. Net zoals een jongerenbeweging hopelijk niet bedoeld is om jongeren buitenspel te zetten, maar om hen een plek te bieden waar ze zich kunnen organiseren rond hun specifieke belangen en daarnaast lol kunnen hebben met mensen van hun eigen leeftijd. Maar net zoals het fout kan gaan met jongerenbewegingen kan het ook fout gaan met vrouwennetwerken. De Nederlandse VrouwenBeweging, (huis)vrouwenorganisatie van de CPN, hield zich vooral bezig met het verkopen van partijkrant De Waarheid. Zij die meer inspraak wilden in de partij werden met zachte hand teruggeduwd naar de vrouwenbeweging.

Een aparte vrouwenorganisatie voelt ook natuurlijker wanneer de partij al veel andere nevenorganisaties heeft. De PVDA/PTB heeft verschillende jongerenorganisaties en een LHBTI+ netwerk. Het zou absurd zijn om de problemen van vrouwen en niet-mannen weg te wuiven naar een andere organisatie terwijl de belangen van de LHBTI+ gemeenschap (bijvoorbeeld) wel direct geïntegreerd worden in de partij. 

Voor een strijdbaar feminisme

De voorbeelden van zusterpartijen laten zien dat het mogelijk is een feministische organisatie op te bouwen die zich inzet voor de dagelijkse strijd en mensen actief betrekt bij de socialistische beweging. Deze kan de vorm hebben van een vrouwennetwerk, of van een brede feministische beweging waar iedereen bij mag ongeacht gender. Of deze nu wel of niet direct onderdeel is van de RSP, het is belangrijk dat deze nauw betrokken blijft bij de partij om te voorkomen dat feminisme buitenspel wordt gezet. Echter komt een strijdbare feministische beweging er niet vanzelf, deze moet zelf door de RSP worden opgebouwd.

Leuk artikel? Meld je aan voor de Paraat nieuwsbrief!