China: een eerste aanzet tot kritiek

Postzegel uitgegeven ter gelegenheid van 1 jaar Chinese Volksrepubliek, 1950. Via Wikimedia

De confrontatie tussen het westen en China is een van de belangrijkste kenmerken van onze tijd. De Europese heersende klasse ziet China steeds meer als hun grootste tegenstander. Om die reden is het belangrijk om in te gaan op de ontwikkeling van de Chinese economie en het optreden van China op het wereldtoneel. Hoe moeten wij China benaderen, en hoe heeft China haar positie vergaard?

De eerste kapitalistische hervormingen begonnen in China in 1978. Collectieve landbouwvormen werden afgeschaft en vervangen door privébedrijven. Investeringen van buitenlandse kapitalisten werden toegestaan in ‘speciale economische zones’. Eind jaren tachtig werden prijsgrenzen losgelaten, wat leidde tot inflatie en maatschappelijke ontevredenheid. Deze ontevredenheid zorgde voor het ontstaan van een protestbeweging die in 1989 hardhandig werd onderdrukt.

Deze kapitalistische hervormingen gingen gepaard met een politieke strijd tussen verschillende facties binnen de CCP. De politieke basis voor hervormingen was echter al jaren eerder gelegd; tegengeluiden werden consequent gezuiverd. De machtigste facties waren allemaal hervormingsgezind; de verschillen gingen voornamelijk over hoever de hervormingen moesten gaan.

Met het neerslaan van de protesten wist Deng Xiaoping zijn macht te consolideren. In de grote staatsbedrijven waren lagen van managers en secretarissen ontstaan die hadden geprofiteerd van buitenlandse investeringen en die pleitten voor verdere hervormingen; dit was zijn machtsbasis. De jaren negentig waren het startschot voor een daadwerkelijke omwenteling. Staatsbedrijven werden geprivatiseerd en geherstructureerd en er werd volop geïnvesteerd door buitenlands kapitaal. De Amerikaanse financiële sector speelde zelfs een rol bij het herstructureren. 

In deze periode was er een significante groei van de exportsector. De export steeg van 62 miljard dollar in 1990 naar meer dan 1.000 miljard dollar in 2015. In 1995 kwam slechts 2,8% van alle geëxporteerde goederen uit China; de meeste goederen werden geëxporteerd door de VS, dat een aandeel had van 11,4%. In 2015 was China de grootste exporteur met een aandeel van 13,2% op de wereldmarkt, terwijl de VS op de tweede plek stond met 9,1%. In 2020 steeg dit aandeel van China naar 14,7%, terwijl dat van de VS daalde naar 8,1%. Dit was een significante verschuiving in de wereldeconomie. China transformeerde van een kleine economie naar de ‘werkplaats van de wereld’.


Ontwikkeling van Chinese banken

Hand in hand met deze exportboom en de ontwikkeling van de industrie ging de ontwikkeling van het Chinese bankwezen. In ‘Imperialisme, het hoogste stadium van het kapitalisme’ legt Lenin uit dat banken de hoeksteen zijn van de kapitalistische economie. De ontwikkeling van het Chinese bankwezen is dus veelzeggend over de politiek-economische ontwikkeling die het land heeft doorgemaakt.

De eerste hervormingen in de Chinese markt gingen gepaard met het oprichten van nieuwe banken; er kwamen drie nieuwe staatsbanken bij. Tevens werd halverwege de jaren tachtig een bank aangewezen die verantwoordelijk was voor de ontwikkeling van de industrie, bijvoorbeeld door het verstrekken van leningen aan staatsbedrijven. Significant aan deze ontwikkelingen was dat banken langzaam de rol van de staat overnamen in het verdelen van het staatsbudget naar de staatsbedrijven.

Begin jaren negentig nam de hoeveelheid leningen van die banken aan grote en kleine staatsbedrijven aanzienlijk toe en er werden stappen ondernomen om de banken ook te privatiseren. Zogenaamde ‘Asset Management Companies’ werden opgericht, en banken traden toe tot de aandelenmarkt. Een voorwaarde voor het toetreden van China tot de World Trade Organization in 2001 was dat zij haar financiële sector zou openstellen voor buitenlandse concurrentie. Tussen 15% en 25% van de aandelen van staatsbanken werd daarom verkocht aan investeerders. In 2009 werd de banksector verder hervormd, wat leidde tot een toename van particuliere banken.

Export van kapitaal

De ontwikkeling van de banksector legde de basis voor een kwalitatieve sprong in de positie van China op het wereldtoneel. In de jaren negentig en vroege jaren tweeduizend trok China buitenlands kapitaal aan; het importeerde meer kapitaal dan het exporteerde. Hier is in de twee decennia daarna verandering in gekomen. Voor 2010 had China minder dan 100 miljard dollar aan buitenlandse leningen per jaar. Tussen 2010 en 2015 steeg dat naar bijna 500 miljard dollar. In 2021 piekte dit bedrag op 1000 miljard dollar. China leent nu meer geld uit aan het mondiale zuiden dan het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank samen. Bij Djibouti, Kyrgyzstan en Congo is meer dan 30% van de staatsschuld bijvoorbeeld een schuld aan China. In absolute aantallen zijn de grootste schuldenaren aan China: Rusland, Angola, Brazilië, Pakistan en Ecuador.

Een belangrijk onderdeel van China’s kapitaalexport is het zogenaamde ‘Belt and Road Initiative’. Dit is een project met het doel om buitenlandse infrastructuur te ontwikkelen door middel van het verstrekken van leningen door China aan andere landen, waarbij China toegang krijgt tot en controle heeft over deze projecten, zoals havens en spoorwegen. Voor China heeft dit project meerdere politieke en economische doelen. Het geeft China ten eerste toegang tot grondstoffen die het nodig heeft voor diens economie. Ten tweede creëert het mogelijkheden voor de inzet van Chinese bouwbedrijven, en de verkoop van staal en kolen.

Dit project en de groei van kapitaalexport op zich hebben China in de positie van een wereldmacht gebracht die kan concurreren met de EU en de VS. 

De afhankelijkheidspositie die bepaalde landen hebben ten opzichte van China door hun grote schulden doet denken aan de verhouding tussen imperialistische machten en onderdrukte landen.

Ethiopië

Een voorbeeld van deze verhoudingen zien we in Ethiopië, waar Chinese leningen en infrastructuurprojecten een grote impact hebben gehad. Ethiopië is sinds de onafhankelijkheid van Eritrea in 1993 ingesloten door andere landen waardoor zij geen havens heeft: zij is landlocked. Ethiopië heeft van alle landlocked landen de grootste bevolking.

Het ‘Belt and Road Initiative’ heeft een spoorlijn van Ethiopië naar Djibouti gefinancierd, evenals een modernisering en uitbreiding van de haven in Djibouti. Onder andere daarom heeft China een militaire basis in Djibouti (dit geldt ook voor Frankrijk, de VS en Japan). Een groot gedeelte van de goederen die via deze haven worden verscheept, komen uit of gaan naar Ethiopië; bovendien is Ethiopië erg afhankelijk van deze haven voor import en export.

Ethiopië heeft haar goud- en koffie-industrie kunnen ontwikkelen, mede dankzij Chinese leningen. Zij kampt nu echter met torenhoge schulden, die het waarschijnlijk niet zal kunnen blijven betalen op de lange termijn. In 2024 moest het land bij de G20 om schuldherbeschikking vragen.

Naast het financieren van infrastructuurprojecten en het verstrekken van leningen produceert China ook op grote schaal wapens, die zij exporteert naar Afrika, waaronder Ethiopië. In 2024 sloten China en Ethiopië bijvoorbeeld een militair handelsverdrag en een ‘partnerschap’ af. China levert moderne drones aan Ethiopië; daarnaast is afgesproken om meer samen te werken en samen wapens te produceren, waaronder technologisch geavanceerde wapens.

Voor Ethiopië is dit zeer van belang omdat er een nieuwe oorlog met Eritrea lijkt aan te komen. Daarnaast woedde er in Ethiopië van 2020 tot 2022 een burgeroorlog; deze had te maken met etnische conflicten tussen verschillende bevolkingsgroepen in Ethiopië. Tijdens deze oorlog werden grootschalige gruwelijkheden gepleegd, waaronder seksueel geweld en genocidale slachtingen. De Tigray-regio werd uitgehongerd, en naar schatting moesten meer dan 850.000 mensen op de vlucht slaan.

Het bloed van de burgeroorlog kleeft ten dele aan de handen van Abiy Ahmed, de premier van Ethiopiė. Ahmed profileert zichzelf als degene die Ethiopië ‘gemoderniseerd’ heeft. Hij kreeg steun uit het westen; zo won hij in 2019 de Nobelprijs voor de vrede. China heeft met alle bovengenoemde leningen en handelsverdragen echter ook een rol gespeeld in het consolideren van zijn macht.

Conclusie

China’s internationale interventies geven niet het beeld van een arbeidersstaat die een wereldrevolutie probeert te bewerkstelligen. Alle signalen wijzen erop dat China vooral haar eigen invloed wil vergroten, ongeacht met welke landen en regimes zij samenwerkt. Verdedigers van China stellen dat China ‘socialisme aan het bouwen is’, en gebruiken dit om alle dubieuze beslissingen te rechtvaardigen. Dit argument is echter niet geloofwaardig.

Socialisme, dat wil zeggen, een klasseloze samenleving, kan niet binnen de kaders van één land worden gebouwd. De weg die China nu bewandelt, wijst zeer sterk op een invoering van het kapitalisme, en het opbouwen van een macht van imperialistische proporties. Laten we geen illusies koesteren in het zogenaamde ‘socialisme met Chinese kenmerken’, maar China de kritiek geven die het verdient.

Leuk artikel? Meld je aan voor de Paraat nieuwsbrief!